Dit is mijn laatste column voor dit blad. Een column is een korte tekst, meestal – maar niet noodzakelijk – over een actueel onderwerp en soms met een boodschap. De columnist neemt hierin stelling en komt met wetenswaardige feiten. Een nadeel van het verschijnsel – tempus fluit – is dat recht en feiten niet stilstaan, maar zich verder ontwikkelen. Ik wil dit illustreren aan de hand van een column die in februari 2013 verscheen. De titel van de column was vrij naar John le Carré, pseudoniem van David John Moore Cornwell (1931-2020), ‘The spy who never came in from the cold’. Mijn column ging niet over diens creatie George Smiley, maar over de Engelse meesterspion George Blake (1922-2020). Deze had, zoals het een meesterspion betaamt, verschillende pseudoniemen. Hij werd geboren als George Behar, zoon van een Egyptische vader met een Brits paspoort en een Nederlandse moeder. Zijn jeugd bracht Blake door in Rotterdam – hij sprak tot op hoge leeftijd vloeiend Nederlands – maar toen ontvluchtte hij WO II en vestigde zich in Engeland, waar hij werk vond bij de Secret Intelligence Service MI6. Daar sloot hij zich aan bij de Cambridge Five, een groep dubbelagenten waarvan Kim Philby het meest bekend werd. In 1950 vocht Blake in de Koreaanse oorlog, waar hij zich tot het communisme bekeerde en voor de communisten ging werken. Over zijn carrière nadien verscheen het boek De vrolijke verrader. Een KGB-spion uit Rotterdam van de in Parijs woonachtige journalist Simon Kuper – zie NRC Handelsblad 8 januari 2021. Blake eindigde afgelopen winter als Gyorgi Ivanovitsj Bechter met een eresaluut op een Moskous kerkhof, geprezen door Poetin voor zijn ‘waarlijk onschatbare bijdrage’.

Hoe was Blake in Moskou terecht gekomen? Als Brits agent was hij in Berlijn gestationeerd en daar speelde hij vele westerse geheimen door naar Oost-Berlijn. Toen hij eenmaal gepakt werd, veroordeelde de Engelse rechter Blake tot 42 jaar gevangenisstraf. Blake wist te ontsnappen en bracht de rest van zijn leven in Moskou door. Om wat bij te verdienen schreef hij daar zijn memoires, wat een lucratieve zaak bleek toen een Engelse uitgever deze wel wilde publiceren. Het was evenwel de Engelse overheid die roet in het eten gooide door beslag te leggen op de royalties van Blake. Deze zaak, Attorney-General v Blake (House of Lords (VK) 27 juli 2000, [2001] 1 AC 268), leidde tot een baanbrekend arrest van het toenmalige House of Lords. Hoewel dit een betrekkelijke eenling is gebleven is er veel over het arrest gepubliceerd. Onlangs nog verscheen een feestbundel, Challenging private law, bij gelegenheid van het afscheid van het Britse Supreme Court van Lord Sumption, een van de meest kleurrijke raadsheren van dit hof. In het opstel van Adam Kramer vinden we het nodige over Attorney-General v Blake. Zo zien we dat een gewone Rotterdamse jongen een bijdrage heeft kunnen leveren aan de Engelse rechtsontwikkeling.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2021.