Een van de meest kleurrijke leden van het Nederlandse rechtsbedrijf is de Amsterdamse rechtsfilosoof Ulli d’Oliveira (1933). D’Oliveira – voluit: Hans Ulrich Jessurun d’Oliveira – heeft naam gemaakt als beoefenaar van het internationaal privaatrecht, als initiator van het Kalimijnen-proces en als kenner van het nationaliteitsrecht. Daarnaast heeft hij ook op literair gebied zijn sporen verdiend, als oprichter van het tijdschrift Merlijn. D’Oliveira’s vader was joods; tijdens de Duitse bezetting bewerkstelligde zijn halfjoodse moeder dat het gezin als Mischehe door het leven en niet door de dood ging. D’Oliveira was als hoogleraar verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen, het Europees Universitair Instituut en de Universiteit van Amsterdam, waar hij als medewerker van Isaak Kisch zijn carrière begon. D’Oliveira promoveerde op een lijvige en goed beoordeelde dissertatie over de antikiesregel. Het was ook Kisch die in 1968 de eerste voorzitter werd van de toen opgerichte Nederlandse Vereniging voor Rechtsvergelijking (NVVR), met D’Oliveira als eerste secretaris en later als opvolger van Kisch in de voorzittersstoel. Het was D’Oliveira die zorg droeg voor de verbinding met de moedervereniging van alle rechtsvergelijkers, de Académie internationale de droit comparé en die de vereniging Schwung wist te geven.

Tegenwoordig is de NVVR niet meer een van de spraakmakende juridische verenigingen in ons land, maar dat heeft een bijzondere reden. De terugloop van de belangstelling is namelijk toe te schrijven aan het succes van de rechtsvergelijking in het algemeen. Wie tegenwoordig een proefschrift, een preadvies of een pleitnota schrijft kan bijna niet zonder rechtsvergelijking. Dat wil niet zeggen dat we helemaal zonder vereniging kunnen. Er is wel degelijk behoefte aan bestudering van methodologische vragen: is het bijvoorbeeld mogelijk om Chinees recht te bestuderen zonder de taal te beheersen? Heeft het zin om rechtsstelsels in families te bundelen? Hoe kan empirisch onderzoek met rechtsvergelijking worden gecombineerd?

Terug naar D’Oliveira. Die is niet onopgemerkt gebleven, al is het alleen al om zijn soms extravagante kleding (vooral de wit-zwarte combinatie van D’Oliveira en zijn eertijdse compaan Jos Deelen was een omweg waard). Een mooi stuk over D’Oliveira is het juristenportret afkomstig van Tim Koopmans: ‘Ulli d’Oliveira – de geïntegreerde rebel’, RM Themis 2003, afl. 3, p. 123-125. Kortgeleden verscheen in de bundel NJV 150 ook een stuk over D’Oliveira: Mieke Smilde, Chantal Ariëns, ‘Hans Ulrich (Ulli) d’Oliveira, de januskop van het recht’, in: Portretten van het recht. 150 jaar NJV, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 148-151.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2021.