Geen zware kost ditmaal (zoal ooit). Deze column gaat over mijzelf. Of liever: over de tijdschriften die ik in mijn leven – tot dusver – mocht oprichten. Het eerste tijdschrift had niets met recht van doen. Het was door mijzelf geheel volgeschreven – letterlijk: over een schrijfmachine beschikte ik nog niet. Het had ook in die zin niets met recht te maken dat ik mijn kopij uit allerhande boeken en tijdschriften overschreef. Van auteursrecht had ik op 11-jarige leeftijd nog niet gehoord. Na voltooiing van een nummer bracht ik het naar de ca. 12 abonnees: de buurvrouw, mijn pianolerares, een neefje, enz. Als een abonnee het nummer uit had, haalde ik het op en bracht het naar de volgende abonnee. Die gedachte had ik niet van mijzelf, maar van een schoolgenoot die het tijdschrift Wammes Waggel volschreef. Mijn geesteskind heette de Reiscourant en het bevatte voornamelijk reisverslagen, van eigen reizen en van die van anderen. Na vijf jaar had ik er genoeg van. Er kwam het clubblad van mijn voetbalvereniging voor in de plaats en nog later het eerste juridische tijdschrift: de BW-krant. Echt juridisch werd mijn redac­tionele leven met het Kwartaalbericht Nieuw BW (NTBR), met het Tijdschrift voor Consumentenrecht (TvC) en de European Review of Private Law (ERPL).

Vanwaar deze fascinatie met periodieken? Het aardigste van zo’n tijdschrift is dat dit als vervoermiddel voor een bepaalde boodschap kan dienen. Laat mij dat illustreren aan de hand van ERPL. In Europa zien wij een duidelijke tendens van rechtsvorming in natio­nale omgeving naar Europese regelgeving. Niet iedereen is daar gelukkig mee, maar daar gaat het nu niet om. Wat van belang is, is dat wie mee wil in de rechtsgeleerdheid niet langer kan volstaan met alleen eigen recht te bestuderen. Voor de ontwikkeling van het (privaat)recht in Europa is het van groot belang de rechtspraak van het Hof van Justitie en EHRM te volgen, maar ook de jurisprudentie van Bundesgerichtshof, Cour de cassation en UK Supreme Court te bestuderen. Dat is niet altijd zo eenvoudig. Het Duits van het Bundesgerichtshof is extreem ingewikkeld, zelfs voor een Duitstalige lezer en het Cour de cassation is eigenlijk alleen met een annotatie ernaast begrijpelijk. Om daarin te voorzien is er – al 28 jaar lang – de European Review of Private Law. Offi­cieel is het tijdschrift zelfs drietalig, maar in de praktijk heeft het Engels de overhand gekregen. Wat is nu de inhoud van zo’n blad? In het eerste nummer van 2020 staat bijvoorbeeld een artikel over crowdfunding van de Utrechtse hoogleraar Jan Biemans, een bijdrage van Matthias Lehmann (Bonn) over de mogelijke komst van een Europees Wetboek voor Handelsrecht en een artikel van Céline Joisten (Luik) over verlies van een kans en de Draft Common Frame of Reference. Maar het handelsmerk van ERPL is volgens lid van de redactieraad Hein Kötz de vergelijkende annotatie. Hierin wordt een recent standaardarrest uit een van de Europese lidstaten vanuit het gezichtspunt van vijf à zes andere jurisdicties becommentarieerd. Aldus hoopt de redactie te bereiken dat ontwikkelingen elders ook buiten het eigen land bekendheid verwerven. Een recent voorbeeld: in Duitsland bepaalde het Bundesgerichtshof dat een Facebook-account kan overgaan door vererving. Hoe dit geregeld is in België, Italië, Nederland (door Valérie Tweehuysen), Oostenrijk, Polen en Spanje vinden we uiteengezet in ERPL 2019, p. 1115-1196.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2021.