Op 11 februari 1812 ondertekende de gouverneur van de Amerikaanse deelstaat Massachusetts, Elbridge Gerry, een nieuwe indeling van de kiesdistricten van deze staat. Deze indeling was erop gericht de partij van Gerry electoraal voordeel te bezorgen. Daartoe werden districtsgrenzen opgerekt, omgevormd en hertekend. Met name het district Essex County kreeg een merkwaardige vorm; de Boston Gazette gaf deze in een spotprent weer als een salamander. Met het ontstaan van de term ‘gerrymandering’ werd Gerry’s naam voor altijd verbonden aan het manipuleren van de grenzen van kiesdistricten voor electoraal gewin. Twee eeuwen later, onder invloed van algoritme-gedreven technologieën, is gerrymandering ge- of verworden tot een cruciaal politiek instrument voor zowel de Republikeinse als de Democratische Partij. Ik ontleen deze informatie aan Wikipedia en aan een blog van de Utrechtse promovendus Max Vetzo. In de uitspraak Rucho v. Common Cause, No. 18-422, 588 U.S. ___ (2019) werd het Supreme Court van de Verenigde Staten geconfronteerd met vragen over de grondwettigheid van gerrymandering. De beslissing in deze zaak – met een dissent van Associate Justice Kagan – heeft verstrekkende gevolgen voor de Amerikaanse democratische verhoudingen.

Wat heeft dit met de Nederlandse trias-leer – thema van dit nummer van Ars Aequi – van doen? Vanuit een Nederlands perspectief roept Rucho interessante vragen op over mogelijke Nederlandse gerrymandering-problematiek en de rol van de rechter bij toenemende inzet van algoritmes. Meer in het algemeen wijst deze zaak op het belang van buitenlandse ontwikkelingen voor ons eigen recht.

De Verenigde Staten zijn niet het enige land waarvan het staatsrecht voor ons leerzaam is. Een voorbeeld van dichterbij, uit het Verenigd Koninkrijk, is R (Miller) v The Prime Minister, Cherry v Advocate General for Scotland. Dat ging over een eerste minister (Boris Johnson) die het parlement naar huis had gestuurd. Het UK Supreme Court overwoog per Lady Hale en Lord Reed dat

‘Parliament does not decide when it should be prorogued. This is a prerogative power exercised by the Crown on the advice of the Privy Council. In practice […], “this process has been a formality in the UK for more than a century: the Government of the day advises the Crown to prorogue and that request is acquiesced to”.’

In theorie zou de koning een zitting van het parlement kunnen bijwonen

‘and make the proclamation proroguing it in person, but the last monarch to do this was Queen Victoria in 1854. […] the fact that a legal dispute concerns the conduct of politicians, or arises from a matter of political controversy, has never been sufficient reason for the courts to refuse to consider it.’

Zoals Lady Hale en Lord Reed overwegen

‘[it] arises in circumstances which have never arisen before and are unlikely ever to arise again. It is a “one off”. But our law is used to rising to such challenges and supplies us with the legal tools to enable us to reason to a solution’.

Dat is toch een citaat dat iedere Nederlandse rechter in portefeuille zou moeten hebben voor de gevallen die zich daartoe lenen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2020.