In het verleden heb ik wel eens juridische scripties van Amerikaanse studenten moeten/mogen beoordelen. Dat beoordelen kwam vooral neer op het toetsen van de overvloedige voetnotenballast waaronder de scripties gebukt gingen en gaan. Het leek vaak wel of rechtspraak en wetgeving van elke deelstaat aan de orde werden gesteld. Toch wil ik geen kwaad woord over Amerikaanse scripties – en publicaties in het algemeen – horen. Ze hebben namelijk één groot voordeel. Iedere scribent laat zijn lezer geen moment in twijfel over wat de conclusie zal zijn. ‘This is a passionate plea …’, zo begint menig Amerikaans epistel. Om dan te eindigen met de conclusie die voor de lezer geen verrassing meer zal inhouden.

Waarom ben ik zo’n voorstander van deze aanpak? Om twee redenen. In de eerste plaats leest een betoog als zojuist geschetst heel plezierig. De stijl draagt bij aan de mate van spannendheid. In de tweede plaats weet de lezer meteen wat hij aan de auteur heeft. Bij een Nederlandse scriptie moet je eigenlijk na eerste lezing opnieuw aan de slag, nu om de argumenten aan de hand van de conclusie te toetsen. In een Amerikaans opstel is dat niet nodig. Daar weet je na lezing van de eerste zin waar de auteur voor staat. Het controleren van de argumenten kan vanaf zin één een aanvang nemen.

Eerlijk gezegd ben ik er niet zeker van of mijn suggestie navolging zal krijgen. Neder­landse studenten hebben te gauw het idee dat een scriptie wetenschappelijk moet zijn, dat wetenschap saai is en dat dus een scriptie saai moet zijn. Dat geldt evenwel niet voor een wetenschapper als Ben Feringa. Het geldt evenmin voor een derdejaars student uit Amsterdam, Leiden of Tilburg.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2020.