De corona-crisis heeft tot nu toe niet het beste in de rechtspraak bovengehaald. De crisis is confronterend, omdat zij een aantal structurele zwaktes binnen de rechtspraak blootlegt.

Het meest in het oog springt hoe lastig het is voor de rechterlijke organisatie om snel te schakelen, om tot besluitvorming te komen en daarover duidelijk te communiceren. Tot 9 april 2020 was nagenoeg de enige boodschap die werd uitgedragen, dat alle zittingen voorlopig niet doorgingen. Een teleurstellende mededeling, die behoorlijk schamel afsteekt tegen de snelle omschakelingen die elders in het maatschappelijk veld werden gerealiseerd.

Pas op 9 april 2020, toen de ‘intelligente lock-down’ al enkele weken aan de gang was, kwam er een centrale regeling (te vinden op rechtspraak.nl), waarin staat dat ‘uitgangspunt is dat de gerechten alleen zeer urgente zaken zullen behandelen’. Later zullen ook ‘urgente zaken’ worden behandeld. Bijgevoegd is een lijst waarop per rechtsgebied is vermeld wat ‘zeer urgente zaken’ zijn. Die lijst is tamelijk beperkt. Opnieuw niet een echt opwekkende mededeling.

Want is geschilbeslechting niet juist nú iets waar een schreeuwende behoefte aan bestaat? Hoe zit het met het opschorten van huurverplichtingen van winkeliers? Met rechten van ontslagen werk­nemers? Met vakantiedagen? En met een corona-omgangsregeling? De lijst met vragen en problemen is lang. Voor veel daarvan geldt dat mensen zo snel mogelijk een antwoord zouden willen krijgen of daarover afspraken willen maken. Het spreekt vanzelf dat de rechter daar een belangrijke rol in zou kunnen spelen; daarom is juist nu laagdrempelige rechtspraak, zoals een spreekuurrechter, urgent.

De corona-crisis laat verder zien hoe hardnekkig het spanningsveld tussen autonomie van de gerechten en de Raad voor de rechtspraak is. De Raad probeert centrale sturing te geven, maar de afzonderlijke gerechten – en daar binnen de verschillende afdelingen – geven elk op eigen wijze invulling aan de manier waarop met de crisis wordt omgegaan. Dat wil zeggen: of (en hoe) zittingen al dan niet doorgang vinden. Zo was op de website van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot zittingen via Skype bij de afdeling Handel enige tijd te lezen (nogal verrassend ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. En verschillende gerechten hanteerden (of hanteren?) de regel dat alleen met instemming van beide partijen via een videoverbinding een zitting kon plaatsvinden. Maar in bijna elke zaak is er één partij die belang heeft bij het op de lange baan schuiven van rechterlijke interventie.

Ten slotte laat de corona-crisis zien dat de rechtspraak nog een weg te gaan heeft als het gaat om digitalisering. Dat is natuurlijk geen verrassing, sinds de (al in het Staatsblad geplaatste) KEI-wetgeving in de ijskast is gezet. Maar misschien leidt deze crisis ertoe dat er momentum is voor fundamentele innovatie. Dan gaat het niet alleen om digitalisering van de huidige manier van werken van de (civiele) rechtspraak, maar om meer ingrijpende veranderingen. Heel inspirerend is wat Richard Susskind hierover schrijft in zijn nieuwe boek Online Courts and the Future of Justice. Inspirerend, omdat zijn beschouwingen hierover niet zijn ingegeven door de wens om efficiency-winst te boeken bij de gerechten, maar door de morele overtuiging dat het gebruik van online courts de enige manier is om iedereen gelijke toegang tot het recht te geven. Dat spreekt mij aan. Het einddoel is niet een efficiënt en digitaal verloop van de civiele procedure (of digitale toegang van advocaten tot de rechtspraak). Uiteindelijk gaat het erom dat zoveel mogelijk mensen toegang tot het recht hebben. Efficiënte geschilbeslechting is daar een belangrijk aspect van, maar het gaat ook om wat Susskind ‘legal health promotion’ noemt: ervoor zorgen dat mensen weten wat hun rechten zijn en vervolgens bevorderen dat zij die rechten ook kunnen verwezenlijken. Nieuwe technologieën bieden hiervoor allerlei mogelijkheden. Daarmee zijn de online courts van Susskind zoveel méér dan een gedigitaliseerde civiele procedure; het is een digitaal ‘huis van het recht’.

Wie nog juridisch leesvoer zoekt voor de soms saaie corona-avonden, kan ik lezing van Susskind zeker aanraden.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2020.