Sinds een paar jaar is maatschappelijk effectieve rechtspraak het nieuwe buzz-woord. De eerste steen hiervoor werd gelegd in 2010, toen de Raad voor de rechtspraak in zijn Agenda van de Rechtspraak 2011-2014 schreef dat ‘maatschappelijke relevantie en effectiviteit vereisen dat de Rechtspraak zorgt voor de beslechting van geschillen op een wijze die zoveel mogelijk bijdraagt aan de oplossing van onderliggende problemen van partijen en samenleving’. Sindsdien is het werken aan maatschappelijk effectieve rechtspraak (mer) steeds op de agenda van de Rechtspraak blijven staan. Ook de minister heeft in zijn beleidsbrieven het streven naar mer omarmd.

Maar wat ís nu eigenlijk maatschappelijk effectieve rechtspraak? Die vraag laat zich niet zo eenvoudig beantwoorden. Een terugkerend thema is dat de rechter ook probleemoplosser moet zijn. Onder juridische geschillen waarmee mensen naar de rechter stappen, gaan soms andere problemen schuil. Als voorbeeld wordt gewezen op de schuldenproblematiek of op vechtscheidingen. Maar ook de nieuwe initiatieven voor laagdrempelige rechtspraak – waarbij burgers op een eenvoudiger wijze toegang tot de rechter wordt geboden – worden onder het thema mer geschaard. Verder is het streven naar kortere doorlooptijden van procedures geformuleerd als een aspect van mer, net als de wens om geschillen niet onnodig te polariseren.

Zo bevindt zich onder de paraplu van mer een brede verzameling van subdoelen, die in feite nogal ongelijksoortig zijn. De meeste van die subdoelen laten zich zonder meer onderschrijven. Het verkorten van doorlooptijden staat daarbij met stip op één. Waarbij dan wel de vraag rijst waarom we daarvoor het begrip mer nodig hebben, en of dat niet eerder verhullend dan verduidelijkend werkt.

Anders ligt dit voor de kwalificatie van de rechter als probleemoplosser. Is de essentie van het rechterswerk nu werkelijk het oplossen van problemen (trouwens: die van eiser of die van gedaagde? Of ‘problemen van de samenleving’?). Natuurlijk, als de rechter op de zitting merkt dat zij problemen uit de wereld kan helpen, zal zij dat niet nalaten. Maar uiteindelijk gaat het bij de rechter om geschilbeslechting. De rechterlijke bemoeienis met een geschil is in tijd en omvang zeer beperkt. De rechter krijgt één momentopname gepresenteerd, van één enkele gebeurtenis tussen een beperkt aantal personen, geperst in een juridisch kader. In een tijdspanne van hooguit enkele uren moet de rechter hierover een beslissing nemen; daarna verdwijnen partijen weer uit het zicht. Over de voorgeschiedenis is de rechter beperkt geïnformeerd; aan nazorg doet de rechter niet. Dat de rechter met die ene beslissing de achterliggende problemen van een of zelfs beide partijen én maatschappelijke problemen kan oplossen, is dan ook een irreële gedachte. Een gedachte die alleen maar tot teleurstellingen kan leiden.

Het wordt helemaal tricky wanneer het oplossen van problemen door de rechter wordt geposi­tioneerd tegenover ‘de rechter die zich uitsluitend laat leiden door juridische overwegingen’ (Jaarplan Rechtspraak 2020). Hier wordt het voorgesteld alsof een rechter die zich minder laat leiden door ‘juridische overwegingen’, beter in staat zou zijn om problemen op te lossen. Maar zo zit het niet. De rechter spreekt recht, in gebondenheid aan het recht. Het recht – een fijnmazig stelsel van regels, normen en beginselen – is daarbij steeds leidend. Bínnen dat stelsel heeft de rechter de ruimte om rekening te houden met overwegingen van praktische aard (zoals de uitvoerbaarheid van de beslissing) en overwegingen van rechtvaardigheid. De suggestie dat de rechter zich minder gelegen zou moeten laten liggen aan ‘juridische overwegingen’, tast het fundament van rechterlijke beslissingen aan. Op de gebondenheid aan het recht berust immers de legitimiteit van het machtswoord dat die beslissing uiteindelijk is. Bovendien wordt miskend dat geschilbeslechting in gebondenheid aan het recht, iets wezenlijk anders is dan het oplossen van problemen van mensen. Het op één hoop gooien van deze twee dingen leidt tot rolverwarring.

Verwarring over de kerntaak van de rechter is niet wat we nodig hebben in deze verwarrende tijden.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2020.