Digitalisering heeft haar zwakke punten. Het lijkt wel of het denken er soms door wordt uitgeschakeld. Één groot voordeel is evenwel de consistentie die erdoor wordt bevorderd. Ik heb hierbij het oog op werkstukken, scripties, dissertaties en pleitnotities. Het is mij ooit overkomen. Ik had een manuscript van ruim 900 pagina’s gereed. Komt er een wetswijziging die op vrijwel alle pagina’s haar repercussies heeft. In dit geval was zelfs sprake van meer dan één wet die werd gewijzigd. Het manuscript betrof mijn proefschrift over algemene voorwaarden en de wijzigingen waren het Duitse AGB-Gesetz, de Engelse Unfair contract terms act en de Franse wet op de clauses abusives. Alle waren zij tot stand gekomen na voltooiing van mijn manuscript, maar voor verdediging van het manuscript. Waar was ik nu benauwd voor? Niet voor de kans dat mij bij de oppositie een vraag zou worden gesteld waarop ik het antwoord schuldig moest blijven. Tien jaar juridisch onderwijs leert de docent wel zich overal doorheen te slaan. Wel was ik bevreesd voor de opmerking: ‘op pagina 465 zegt u A, maar op pagina 832 lees ik B’. Inconsistentie kortom, een doodzonde voor de jurist die in deze column aan de orde is. Wat consistentie in de logica inhoudt, is zo op Wikipedia en de rest van het internet na te lezen.

Is consistentie wel zo’n groot goed? Ik meen van wel. Strikt genomen is consistentie niet altijd nodig. De Italiaanse hoogleraar Massimo Bianca placht zijn colleges privaat­recht onvoorbereid te geven. Hij trad dan als het ware op als doorgeefluik voor invallen van boven. Ook bijeenkomsten van de Quakers dragen zich zo toe. Maar dat zijn de uitzonderingen. Normaal gesproken zit er een lijn in het juridisch vertoog. Daaraan kan digitalisering een bijdrage leveren. Zo kan de spelling met een computerprogramma op consistentie worden getoetst (in het geval van mijn promotie was dat nog niet mogelijk). Een programma ‘denk mee’ is echter nog niet in de handel. Zolang dat niet het geval is, komt het aan op eigen kracht, hooguit met bijstand van een collega.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2020.