Kritiek op civiele procedures is zo oud als de weg naar Rome. Civiele procedures zijn stroperig, langdurig en kostbaar. Dat vond men honderd jaar geleden al en zo wordt daar nog steeds tegen aangekeken. Twintig jaar geleden schreef Adrian Zuckerman een boek meet de veelzeggende titel Civil Justice in Crisis: Comparative Perspectives of Civil Procedure. Daarin komt voor een groot aantal landen hetzelfde beeld naar voren: procederen bij de civiele rechter duurt lang en kost veel geld, met name door de kosten die aan een advocaat moeten worden betaald. Nederland springt er hierbij nog relatief goed uit.

Maar het is een feit dat ook hier zowel burgers als het mkb de stap naar het voeren van een procedure om hun recht te halen vaak niet durven te zetten wanneer ze niet beschikken over een rechtsbijstandsverzekering of aanspraak kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand. Hoewel in zaken tot € 25.000 en bijvoorbeeld arbeidszaken geen advocaat hoeft te worden ingeschakeld, kiezen mensen slechts zelden voor de optie om zonder advocaat een procedure te beginnen. En dat is volkomen begrijpelijk, want om zonder kennis van het recht te gaan procederen voelt als zonder rijlessen achter het stuur kruipen om in de avondspits door Amsterdam te rijden.

De rechtspraak probeert aan de kritiek tegemoet te komen door te experimenteren met laagdrempelige vormen van rechtspraak, zoals de Spreekuurrechter. Kenmerkend voor deze experimenten is dat het mensen veel gemakkelijker wordt gemaakt om op een eenvoudige manier een rechtszaak te beginnen, bijvoorbeeld door dit telefonisch met de rechtbank te regelen. De rechtbank zoekt dan contact met de wederpartij en als deze bereid is de zaak aan de Spreekuurrechter voor te leggen – die instemming is voorwaarde om te kunnen afwijken van de procesregels (art. 96 Rv) – kan de rechter zich zonder verdere formaliteiten over de zaak buigen.

Op dit moment is er een wetsvoorstel aanhangig voor een Experimentenwet rechtspleging (Kamerstukken 35263). Deze Experimentenwet maakt het mogelijk dat op basis van een amvb experimenten worden gestart, waarin wordt afgeweken van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het is dan niet meer nodig dat beide partijen instemmen met een van Rv afwijkende manier van procederen. Belangrijk is verder dat de Experimentenwet voorschrijft dat elk experiment moet worden geëvalueerd. Dat is grote winst: bij procesrechtelijke vernieuwingen ontbreekt het vaak aan empirische gegevens die een solide basis kunnen geven aan nut en noodzaak daarvan. Zuckerman noemt dat ‘the myth of civil procedure reform’.

Experimenten zoals de Spreekuurrechter leveren een belangrijke bijdrage aan het beter toegankelijk maken van rechtspraak voor de burger. Je kunt je echter wel afvragen of ze nodig waren geweest, als de rechtspraak er beter in was geslaagd om procedures kort te houden, achterstanden te voorkomen en de mogelijkheden om binnen de kaders van Rv laagdrempelige rechtspraak te bieden, ten volle waren benut.

Ook zonder af te wijken van Rv is het mogelijk om rechtspraak te bieden die tegemoet komt aan de kritiek op civiele procedures. Procedures hóéven niet lang te duren, kijk maar naar het kort geding. Een rechtzoekende die zonder advocaat wil procederen hóéft niet het gevoel te krijgen dat hij zich in een zwart gat stort, als hij beter geïnformeerd zou worden over wat er van hem wordt verwacht. Rechtbanken zouden daarvoor een informatiepunt kunnen openstellen. Op de website van de rechtspraak kan een standaard-dagvaarding ter beschikking worden gesteld voor verschillende soorten zaken. Belangrijk is ook dat rechtzoekenden moeten weten en erop kunnen vertrouwen dat zij te maken zullen krijgen met een actieve rechter, die hen zo nodig helpt met het formuleren van de rechtsgronden voor hun vordering of verweer.

Kortom, procederen hoéft geen hordeloop te zijn. Procesregels zijn er niet om mensen te laten struikelen, maar om ervoor te zorgen dat de procedure eerlijk verloopt en eraan bij te dragen dat de rechter een goede beslissing kan nemen.

Dáár is geen Experimentenwet voor nodig.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2020.