Juristen zijn geen taalvernieuwers. Integendeel: zij klampen zich bij voorkeur vast aan tradi­tionele woorden en ingesleten zegswijzen, uit vrees dat modern taalgebruik afbreuk doet aan de overtuigingskracht van hun betogen of als juridisch onjuist wordt aangemerkt. Voor dat laatste valt in een enkel geval iets te zeggen, voor het eerste eigenlijk nooit.

De civiele kamer van de Hoge Raad beschouwt zichzelf evenmin als kampioen taalvernieuwing. Hier overheerst toch vooral de vrees dat de buitenwereld een louter taalkundig bedoelde innovatie zal opvatten als een inhoudelijke koerswijziging. Dan maar liever vasthouden aan het gedrocht van ‘de in beginsel strakke regel’, een voor niet-ingewijden tamelijk duistere uitdrukking als ‘feitelijke grondslag missen’, of het archaïsche ‘verstaan’ in de zin van een bepaalde betekenis aan iets hechten. Woorden als uit de mode geraakte, maar onverslijtbare schoenen.

Onzichtbaar en onhoorbaar voor de buitenwereld is het taalkundige gebakkelei dat wekelijks in raadkamer plaatsvindt. Waar gaat dat over? Zonder schending van het geheim van de raadkamer kan ik een tipje van de sluier oplichten.

Om te beginnen is er een categorie verboden woorden. Met stip op nummer 1 staat ‘aangeven’: dat mag uitsluitend worden gebruikt in de betekenis van ‘aanreiken’, en moet in vrijwel alle andere gevallen worden vervangen door iets als ‘te kennen geven’. En wat te denken van het woord ‘nopen’? Het wordt wekelijks gebruikt in de mantra van artikel 81 RO, maar vrijwel iedereen vindt het 19e eeuws. Sinds kort is voorwerp van discussie het gebruik van ‘wat’ in plaats van ‘hetgeen’. De uitkomst van die discussie is te zijner tijd te vinden op Rechtspraak.nl.

Van een iets andere orde is de opvatting dat de Hoge Raad niet moet schrijven dat de rechtbank ‘de echtscheiding’ heeft uitgesproken: dat zou volgens sommigen suggereren dat op ieder huwelijk een echtscheiding volgt. Beter zou zijn om te schrijven dat de rechtbank ‘echtscheiding’ heeft uitgesproken. Volgens anderen is dit er eentje uit de categorie ‘lekker belangrijk’.

En dan is er het subtiele verschil tussen een cassatiemiddel dat ‘faalt’ en een cassatiemiddel dat ‘niet tot cassatie kan leiden’. Scherpslijpers vinden dat ‘falen’ duidt op een inhoudelijk tekortschieten, zodat een cassatiemiddel dat bij gebrek aan belang geen doel treft en dus niet inhoudelijk wordt onderzocht, niet ‘faalt’, maar ‘niet tot cassatie kan leiden’. Ik zou niet durven beweren dat iedere uitspraak van de Hoge Raad op dit punt zuiver in de leer is.

Om nieuwe raadsheren, stagelopende rechters en wetenschappelijk medewerkers de weg te helpen vinden in dit taalkundige labyrint is er een modellenboek, ook wel aangeduid als de Bijbel. Daarin zijn veelvoorkomende mantra’s en frasen gecanoniseerd. Denk aan de formulering van bepaalde niet-ontvankelijkverklaringen, het dictum van een uitspraak of de proceskostenveroordeling. Een argeloze lezer zou denken dat dit veel taalstrijd voorkomt. Maar wat geldt voor de echte Bijbel geldt ook voor het modellenboek: veel verzen zijn multi-interpretabel en vergen exegese. Zo blijft er gelukkig ruimte over voor met elkaar strijdende scholen. En zolang het pleit niet definitief is beslecht, weiger ik als evangelist van de civiele kamer om een nieuw boek, laat staan een nieuw testament, aan onze Bijbel toe te voegen.

Enkele jaren geleden is bedacht dat een nieuwkomer die erin slaagt de subtiliteiten van het taalgebruik te doorgronden en voldoende Bijbelvast blijkt te zijn, aanspraak kan maken op het vir­tuele diploma Civiele Raadsheer A. Tot nu toe is geen enkel diploma uitgereikt. Het onoplosbare probleem is dat geen van de huidige leden van de civiele kamer gekwalificeerd is om zitting te nemen in de examencommissie.

Om misverstanden te voorkomen: de civiele kamer houdt zich ook bezig met juridische kwesties. Maar daarover worden wij het doorgaans snel eens.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2019.