Volgens het Bijbelboek Exodus werd Egypte getroffen door tien plagen. In onze universitaire wereld tel ik er drie, maar die keren helaas wel vaak terug: handtastelijke hoogleraren, plagiërende promovendi en bijklussende wetenschappers. Ik ontken iedere betrokkenheid bij de eerste twee plagen, maar heb mij wel bezondigd aan nevenfuncties, en doe dat ook nu nog. Vandaar mijn fascinatie voor de ophef die hierover steeds weer ontstaat.

Het instituut van de bijbaan wordt van oudsher vanuit drie invalshoeken onder vuur genomen: tijd, geld en macht.

Eerst de factor tijd. Wie veel nevenfuncties bekleedt, laadt de verdenking op zich onvoldoende tijd te steken in zijn of haar hoofdfunctie. Die verdenking is niet meer dan een weerlegbaar vermoeden, want vaak geldt de volkswijsheid ‘If you want something done, ask a busy person’. Bovendien: een mens kan ook te veel tijd steken in een bepaalde functie. Denk aan gepensioneerde bestuursleden van een vereniging van eigenaars van een seniorenflat. Uiteindelijk is het aan leidinggevende en collega’s om te bepalen of iemand voldoende tijd en energie in de hoofdfunctie steekt en niet steeds op pad is voor onbenullige bijbaantjes. De buitenwereld kan zich maar beter van een oordeel hierover onthouden.

Over de factor tijd nog even dit. Ik bepleit een algeheel verbod op het bekende druk-druk-druk-geweeklaag, al helemaal als dat afkomstig is van iemand die niet de kunst van het nee-verkopen verstaat. Bespaar ons gezeur over een agenda die vooral is volgelopen door een ongelukkige combinatie van ijdelheid, vermeende onmisbaarheid en gebrek aan assertiviteit.

Dan de rol van het geld. Het is niet moeilijk om te constateren dat rumoer rond een bijbaan vaak is terug te voeren op jaloezie vanwege het goed betaalde karakter van die bijbaan. Afgunst is uiteraard geen goede grond voor kritiek. Het is aan de bijklusser om met zijn of haar werkgever en de Belastingdienst in het reine te komen over de inkomsten die de nevenfunctie genereert. Opnieuw geldt: daar heeft de buitenwereld niets mee te maken. Bovendien zijn er ook heel veel hoofdfuncties waaraan een inkomen is gekoppeld dat in geen enkele verhouding staat tot de werkelijke verdiensten of de verrichte prestaties. It’s the economy, stupid!

Tot slot het element macht. Wie een nevenfunctie aanvaardt, vergroot zijn of haar invloedssfeer. Ook daar is niks mis mee. Als lid van een stichtingsbestuur of een adviescommissie probeer ik de gang van zaken te beïnvloeden en de koers te bepalen. Ik zou menen dat ik daarvoor nu juist ben benoemd. De andere bestuurders en commissieleden zullen mij wel behoeden voor al te domme dingen; zo gaat dat gelukkig in fatsoenlijk functionerende samenwerkingsverbanden.

Ik zie pas een probleem opdoemen bij belangenverstrengeling: als ik mij bij de uitoefening van een functie laat leiden door het belang dat ik in een andere functie moet dienen. Het gevaar van vermenging van functies en belangen kan in sterke mate worden afgewend door openheid te betrachten – trefwoorden: register op nevenfuncties en vermelding van relevante belangen in publicaties – en door royaal gebruik te maken van de mogelijkheid van spontaan dan wel gedwongen terugtreden – trefwoorden: verschoning en wraking. Met andere woorden: het komt erop aan om in alle openheid en gewetensvol om te gaan met de uitoefening van hoofd- en nevenfuncties.

Gelukkig is het land dat niet door oudtestamentische plagen wordt geteisterd, maar af en toe wordt opgeschrikt door academische affaires. En als het ons zou lukken om bij het volgende stormpje over nevenfuncties hoofd- en bijzaken van elkaar te onderscheiden, zouden wij ons geluk niet op kunnen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2019.