Een van mijn valse plannetjes – beraamd toen ik nog uitspraken van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de Europese Unie annoteerde voor Ars Aequi – was om een keer een noot te schrijven onder een niet-bestaande en geheel uit mijn duim gezogen rechterlijke uitspraak. Met andere woorden: ik wilde proberen om een juridische variatie te componeren op Alan Sokals beroemde nonsens-artikel ‘Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity’ gepubliceerd in het tijdschrift Social Text in 1996. En dan zou ik na publicatie van mijn noot stilletjes afwachten of iemand durfde zeggen dat de keizer geen kleren aan heeft.

Voordat iemand zich zorgen maakt: ik heb dit plannetje nooit uitgevoerd, deels wegens mijn sym­pathie voor Ars Aequi, deels uit vrees mijn laatste beetje gezag in juridische kring te verliezen. Toch blijft het een aardige denkoefening om te fantaseren hoe ik zo’n annotatie in elkaar zou hebben gedraaid.

Om te beginnen zou ik zelf een casus en een rechterlijke uitspraak moeten verzinnen. Om niet direct door de mand te vallen zou die fictieve zaak een niet al te opvallende inhoud en strekking moeten krijgen, van het kaliber dat de wekelijkse rechtspraak-watcher per ongeluk over het hoofd zou kunnen hebben gezien. Met andere woorden: een dertien-in-een-dozijn-zaak die in menig jurisprudentieblad niet zou misstaan. Misschien kon ik nog enkele stille hints in mijn tekst verwerken, door als uitspraakdatum 1 april te vermelden, of door in de rubriek ‘Magistraten’ enkele BN’ers op te voeren: ‘Mrs. E. Jinek, J. Pauw, M. van Nieuwkerk, A. Knevel en T. van den Brink’.

Belangrijker is de vraag welke boodschap ik in mijn noot zou willen overbrengen. Door te volstaan met prijzende woorden voor het rechterlijke oordeel zou mijn hoax weinig aandacht trekken. Altijd aardig voor de betrokken rechters om lof toegezwaaid te krijgen, maar het zijn toch vooral de kritische annotaties die tegenspraak uitlokken en daarmee het recht weer een stapje verder brengen. Dus kon ik beter de staf breken over het volkomen onjuiste en volstrekt onvoldoende onderbouwde oordeel van het rechterlijke college in mijn fictieve zaak.

Of zou ik de gelegenheid te baat nemen voor een rondje zelfverheerlijking? Dan kon ik nog twee kanten op. Enerzijds zou ik de rechterlijke uitspraak kunnen construeren als een opzetje om triomfantelijk rond te bazuinen dat de rechters, na jarenlang te hebben gedwaald, nu eindelijk mijn gedachtegoed hadden omarmd. Anderzijds zou ik ook een rechterlijk oordeel kunnen fabriceren om vol misprijzen te constateren dat men volhardde in een onjuiste rechtsopvatting, om vervolgens nog maar weer eens mijn eigen theorietje te pluggen.

Maar wacht, ik zou niet mogen vergeten dat ik met mijn noot in Ars Aequi eigenlijk twee groepen lezers moet bedienen. De primaire doelgroep wordt gevormd door de bovengemiddeld geïnteresseerde rechtenstudenten voor wie Ars Aequi ooit is opgericht. Zij hebben behoefte aan een annotatie die geduldig uitlegt hoe deze uitspraak in het grotere geheel past, ontdaan van alle ballast en details die alleen voor de ingewijde vakgenoot zijn te volgen. Maar mijn noot zou hopelijk ook worden gelezen door praktijkjuristen, en die doelgroep wil ik graag laten zien wat deze uitspraak precies betekent voor hun dagelijkse werk. Dus liefst de helikopterblik en het kapmes in combinatie met het vergrootglas en de scalpel.

Tot slot zou ik, om niet uit de toon te vallen, in hetzelfde register moeten spelen als in mijn eerdere annotaties, dus liefst een beetje lichtvoetig en als het kan hier en daar een woordspeling. En dat alles uiteraard binnen de gebruikelijke woordlimiet.

Kortom: mijn plannetje zou leiden tot een noot waarin ik mijzelf parodieer om mijn collega-annotatoren op de hak te nemen en mijn lezers om de tuin te leiden. Hoe vals is dat!

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2019.