Het was in de herfst van 2010. Twee Duitse hoogleraren, Nils Jansen (Münster) en Reinhard Zimmer­mann (Hamburg/Regensburg), waren betrokken bij een zomerkamp van de Studienstiftung des deutschen Volkes in de Franse Alpen. Tijdens een wandeling door een droge rivierbedding hielden zij – tja wat doe je als hoogleraar anders – een gesprek over restatements, modelwetten, het Draft Common Frame of Reference en de onderlinge verwevenheid daarvan. En het zouden geen Duitse hoogleraren zijn, als ze er niet in slaagden van hun project een publicatie te maken. Hun Commentaries on European Contract Laws verscheen in 2018 bij Oxford University Press (2218 p.). Elders heb ik dit gigantische naslagwerk al aangekondigd; hier gaat het mij – het is tenslotte een column – om iets anders. Het is de trivialiteit van het bericht over de wandeling door de rivierbedding. Wat daar tegen is? Niets: in tegendeel. Ik zou hier juist een pleidooi willen houden voor het weergeven van wat de Fransen de petite histoire noemen: de juridisch niet direct relevante achtergrondinformatie.

Een voorbeeld uit eigen land. In 2017 verruilde Carla Sieburgh haar Nijmeegse leerstoel Europees privaatrecht voor een aanstelling als raadsheer in de Hoge Raad. Bij die gelegenheid verscheen als afscheidsbundel Nijmeegs Europees Privaatrecht. Roel van Leuken is niet alleen een van de redacteuren, maar droeg tevens een opstel bij over ambtshalve toepassing van EU-recht. Hieruit leren wij niet alleen wanneer EU-recht ambtshalve mag en moet worden toegepast, ook de exacte plaats en tijd van de plaatsing van Sieburgh op de voordracht voor de Hoge Raad komen wij te weten:

‘Woensdag 2 oktober 2013. Na een aangename rit langs de zuidwestkust van Sardinië arriveren Arthur Hartkamp, Carla en ondergetekende in het kleurrijke vakantiedorpje Tanca Piras nabij Nebida. […]. Plotseling gaat Carla’s telefoon. Het is de president van de Hoge Raad die haar het heuglijke nieuws brengt dat ze op de lijst van aanbeveling is geplaatst ter vervulling van de vacature van raadsheer in de civiele kamer van de Hoge Raad.’

En nog één? Vooruit dan. We schrijven 1 februari 1919. De Amsterdamse rechter Wiarda staat op de tramhalte op lijn 2 te wachten. ‘Daar ziet hij op eens iemand hollend en met armen zwaaiend op hem afkomen, en hoort hij dezen opgewonden toeroepen: “Mijnheer Wiarda, heeft u de krant al gelezen, het arrest van de Hoge Raad over de onrechtmatige daad …”.’ Lindenbaum/Cohen bracht de gemoederen duidelijk in beweging, zoals blijkt uit deze schets van de hand van Gerrit van Maanen in De Zutphense juffrouw en de ontrouwe bediende van Lindenbaum, Nijmegen: Ars Aequi 1995, p. 9.

Ten slotte een om het af te leren. Ooit publiceerde Jan Smits (Maastricht) Een juridische wandeling door Leiden (tweede druk, Jongbloed 2012, 82 p.). Als er, aldus Smits, ‘één plaats in Nederland is waar het juridische verleden kan worden nagevolgd, is het Leiden wel. Dankzij de aanwezigheid van de Universiteit is de beschikbaarheid van meer dan vier eeuwen academische juristen verzekerd.’ Zo voert Smits ons naar de thans bijkans vergeten hoogleraar Romeins recht Willem Matthias d’Ablaing en naar de veel bekendere J.F. Houwing, om te eindigen met een bezoek aan het kerkhof aan de G­roenesteeg waar veel juristen begraven liggen.

Toegegeven. Het zijn trivia. Maar trivia die kleur geven aan de rechtsontwikkeling. Een Alpenwandeling van twee professoren, de benoeming van Carla Sieburgh, het arrest Lindenbaum/Cohen (waar kort geleden nog een operette aan is gewijd) en een Leids kerkhof brengen ons de context waarin de rechtsontwikkeling heeft plaatsgevonden.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2019.