Oude gewoonten worden behoed voor extinctieve verjaring door ze geregeld in praktijk te brengen. Maar ook praten of schrijven over tradities heeft stuitende werking. Vooral de academische wereld kent talloze gebruiken die verdienen niet in vergetelheid te geraken. Ik heb die mores lang geleden aan den lijve ondervonden, bij mijn promotie in Leiden. Ars Aequi is bij uitstek het medium om mijn ervaringen van toen door te geven aan de promovendi van nu.

Toen ik mijn proefschrift mocht verdedigen, lagen mijn studentenjaren nog niet ver achter mij. Het leek mij dan ook wel studentikoos-geinig om mijn promotie af te sluiten met een herendiner op mijn oude studentenvereniging. Dat zou ongetwijfeld in de geest zijn van een oud mos, stelde ik mij voor. Bovendien had mijn vader het ooit ook zo gedaan. Mijn paranimfen en hun handlangers zagen hun kans schoon om daarop voort te borduren en mij te onderwerpen aan een reeks bestaande of voor de gelegenheid verzonnen mores.

Het begon al op weg van het Academiegebouw naar de sociëteit. Ik had lopen pochen dat het een goede gewoonte van de Leidse boekwinkels was om op de dag van een promotie het desbetreffende proefschrift in de etalage te tonen. Bij Boekhandel Jongbloed in de Kloksteeg kreeg ik lik op stuk. Mijn boek lag inderdaad pontificaal in de etalage; daarnaast een kaartje met de tekst ‘Wij zijn door de voorraad heen. Helemaal uitverkocht, dus!!’

Het diner in de bibliotheek van de sociëteit zal niet de geschiedenisboeken ingaan vanwege de culinaire hoogstandjes. Wij troffen het ook niet dat de chef-kok kort tevoren was ontslagen op verdenking van financiële malversaties. Door vele disgenoten werden memorabele woorden gesproken die ik allemaal ben vergeten. Traditiegetrouw werd het diner onderbroken voor een polo­naise richting de blauwe steen in de Breestraat, waarvoor ik als een ware kerkvader op de knieën ben gegaan. Probleem was wel: wat doen wij met onze servetten tijdens dit intermezzo? Op tafel achterlaten zou allicht tot onsmakelijke verwisselingen leiden. In de borstzak proppen was uit den boze; dat vonden wij typisch iets voor wufte studenten in Utrecht. Een oud mos bood uitkomst: de servetten dienen om het hoofd te worden geknoopt. Dat kwam ook goed van pas in de winterse kou buiten.

Hoogtepunt van de avond was mijn beklimming van de leestafel, die voor de gelegenheid met de korte zijde tegen de muur van de grote zaal omhoog was gesjord, richting de uil vlak onder het plafond. Nadat ik erin was geslaagd de uil te kussen en zo de ultieme wijsheid had ontvangen, mocht ik – enigszins wankelend op het hellend vlak van de leestafel – het woord richten tot de aanwezige studenten, die massaal waren toegestroomd om het einde van een tentamenperiode te vieren. Van mijn lullepot herinner ik mij niets meer, maar ik zie nog wel die grote menigte studenten voor mij, onder wie ons huidige staatshoofd, toen beter bekend als Prins Pils. Op de een of andere manier heb ik het overleefd.

De avond eindigde zoet, met het ontkurken van vele flessen champagne en het aansnijden en verorberen van een reusachtige taart. Die taart was gebakken in de vorm van een boek en had een bovenkant die qua kleur en tekst een kopie was van het kaft van mijn proefschrift.

Geloof mij: een proefschrift schrijven is geen lolletje. Maar neem van mij ook aan: de promotie zelf is één groot feest, helemaal als je de bijbehorende mores in acht neemt.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2019.