Af en toe blader ik door oude parlementaire stukken of raadpleeg ik een rechterlijke uitspraak van voor 1970. Louter ambtshalve, wees maar gerust. Ik ken spannender lectuur. Maar één ding moet ik de juristen van toen nageven: zij konden heerlijk beknopt formuleren. Dikwijls was de memorie van toelichting beperkt tot een tiental pagina’s; oude uitspraken van de Hoge Raad besloegen in de Nederlandse Jurisprudentie vaak niet meer dan enkele kolommen. Dat is nu helaas anders. Wie iets wil vinden in recente kamerstukken raakt verloren in een brij van woorden en komt niet verder zonder zoekmachine en zelf verzonnen trefwoorden. Met de jurisprudentie is het jammer genoeg niet veel beter gesteld.

Niet alles was vroeger beter. De indirecte rede waarin de Hoge Raad zijn oordelen (tot midden jaren 70) goot – de bekende ‘O. zus’ en ‘O. zo’ in de Nederlandse Jurisprudentie – leverde vaak moeilijk leesbare rechtsoverwegingen op. Ook nadien bestond nog lang de neiging om zoveel mogelijk informatie in doorlopende volzinnen te proppen, bijvoorbeeld de regel, alle daarvoor geldende voorwaarden én de uitzondering op die regel. Dat kon leiden tot meanderende teksten met veel komma’s, puntkomma’s en gedachtestreepjes. Trouwens, ook veel uitspraken uit 2019 zouden niet misstaan op de shortlist voor de Prix Marcel Proust, als die nog zou bestaan.

Wat verklaart de verbale diarree die wij tegenwoordig over ons heen laten komen? Voor een deel kunnen wij – zoals bijna altijd – de digitalisering de schuld geven. Zonder de functie ‘kopiëren-plakken’ zou er minder worden geciteerd en meer geparafraseerd. Die laatste exercitie is aanzienlijk tijdrovender, maar zou allicht veel woorden schelen.

Toch vrees ik dat het dieper zit. Volgens mij is de word warfare terug te voeren op gebrek aan vertrouwen. Neem als voorbeeld de procesvoering. De cliënt is er niet gerust op dat zijn advocaat de zaak adequaat kan verwoorden in een geserreerd betoog, en denkt dat een lang processtuk helpt om zijn zaak beter voor het voetlicht te brengen. De advocaat vreest dat de rechter hem zal afvangen op een te summiere stellingname en dat zijn cliënt hem vervolgens een beroepsfout zal aanwrijven, dus kiest hij ervoor om ieder punt uitgebreid te verwoorden. De rechter voelt zich gedwongen in zijn uitspraak op alle stellingen van partijen in te gaan, om te voorkomen dat een hogere instantie die uitspraak vernietigt wegens onvoldoende motivering. Het wantrouwen jegens de ander jut de procesdeelnemers op in een verbale-strontrace.

Heb ik een oplossing voorhanden? Juristen denken al snel aan regels. En inderdaad, misschien moeten wij in de rechtspleging overgaan tot een strikte woordlimiet voor ieder processtuk, vergelijkbaar met de maximale spreektijd bij pleidooi. Laten wij daarmee maar eens een beetje experimenteren, op basis van ervaringen in andere landen. Overigens zou maximering van het aantal woorden wat mij betreft ook mogen gelden voor parlementaire stukken en rechterlijke uitspraken. Ook daarvoor geldt: ‘How many words? Just enough!’

Veel wezenlijker vind ik dat wij onder ogen moeten zien dat het hiervoor bedoelde gebrek aan vertrouwen in de ander onterecht is. Wie zijn verhaal doet zonder omhaal van woorden, vindt gehoor bij de ander. Dat is altijd zo geweest en zal altijd zo blijven. Basta!

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2019.