Sommige getallen bezitten een zekere magie. Veel vrouwen (en hun mannen) geloven in N° 5, anderen houden het op 4711. Wie heeft nooit Cuarenta Y Tres geproefd? De eeuwige waarde van nummer 14 ga je pas zien als je het doorhebt.

Ook het getal 81 kan sterke gevoelens oproepen. Artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie stelt de Hoge Raad in staat een cassatieberoep – integraal dan wel partieel – te verwerpen en zijn beslissing te beperken tot het oordeel dat de aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Strikt formeel beschouwd is de uitspraak van de Hoge Raad gemotiveerd, maar meer dan de wettelijke toverformule heeft die motivering niet om het lijf.

Deze verkorte manier van rechtspreken heeft inmiddels tamelijk oude papieren: de voorloper van het huidige artikel 81 (art. 101a) is meer dan 30 jaar geleden ingevoerd. Oud en vertrouwd dus, maar nog steeds geen allemansvriend. Met name bij cassatieadvocaten leidt een 81’er geregeld tot geween en tandengeknars.

Eerst de cijfers, waarbij ik mij beperk tot de civiele kamer van de Hoge Raad. Die kamer deed in 2018 uitspraak in 409 zaken. In 158 zaken (39%) werd het beroep integraal verworpen met toepassing van artikel 81. Dat percentage wijkt niet noemenswaardig af van dat in voorafgaande jaren. In tweeërlei opzicht is dus sprake van een wet van de grote getallen. Bovendien is artikel 81 nog veel vaker ingezet om een deel van de aangevoerde cassatieklachten te verwerpen, zowel in de (128 = 31%) zaken waarin cassatie volgde als in de (95 = 23%) zaken waarin het beroep niet tot cassatie leidde. Van deze partiële 81’ers wordt helaas geen statistiek bijgehouden.

Is 81 een ongeluksgetal? Tja, in een ideale wereld zou ieder cassatieberoep tot op de laatste klacht inhoudelijk gemotiveerd worden afgedaan. Maar in die ideale wereld zou de civiele kamer ook geen beperkingen in menskracht kennen, laat staan tot de huidige (ruim) tien fte (en de huidige elf leden). Trouwens, in die ideale wereld zouden ook geen volstrekt kansloze cassatieklachten worden aangevoerd, zoals in het echt soms wel gebeurt.

In de wereld waarin wij leven, is artikel 81 in mijn ogen niet meer en niet minder dan een werklastbesparend instrument, dat de civiele kamer wel moet inzetten om voldoende tijd over te houden voor de zaken die een weloverwogen en helder op schrift gestelde inhoudelijke motivering verdienen. Volgens mij kan het niet anders.

Kan de Hoge Raad niet heel beknopt verwoorden waarom het cassatieberoep geen doel treft? Die suggestie miskent dat motiveringsklachten – het soort klachten dat in 81’ers centraal staat – zich vaak niet lenen voor een ‘korte klap’. Bovendien komt iedere inhoudelijke uitspraak onder het vergrootglas van de rechtspraktijk te liggen, ook overwegingen die geen enkele zaaksoverstijgende waarde pretenderen. Dan maar liever een toverformule.

Kan de Hoge Raad niet verwijzen naar de conclusie van het parket, waarin wel steeds alle klachten worden behandeld? Die suggestie veronderstelt dat de toepassing van artikel 81 door de raad berust op precies dezelfde gronden als die waarop de conclusie tot verwerping komt. Dat is vaak, maar niet altijd het geval.

Overigens impliceert een 81’er evenmin dat de in cassatie bestreden uitspraak de schoonheidsprijs verdient. Toepassing van artikel 81 betekent slechts dat de Hoge Raad van oordeel is dat de cassatieklachten niet van dien aard zijn dat zij de in cassatie bestreden uitspraak onderuit kunnen halen, en dat in dit verband geen vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling rijzen. Wie meer leest in een 81’er, doet aan pure speculatie.

Ter geruststelling nog dit. Ik durf te beweren dat artikel 81 niet wordt toegepast om netelige rechtsvragen te ‘duiken’ of om apert onbegrijpelijke uitspraken voor vernietiging te behoeden. Maar de zaak – de bestreden uitspraak in samenhang met het daartegen gerichte cassatiemiddel – moet het verdienen om niet door de wet van de grote getallen te worden bestreken.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi april 2019.