Lezers van Ars Aequi uit de leeftijdscategorie 50+ herinneren zich wellicht de bundel Scheppen riep hij gaat van Au: een verzameling interviews die H.U. Jessurun d’Oliveira begin jaren 60 had met (destijds) bekende Nederlandse schrijvers als W.F. Hermans, Harry Mulisch en Gerard Kornelis van het Reve. De titel van die bundel was ontleend aan een dichtregel van Leo Vroman met iets meer interpunctie: ‘“Scheppen”, riep hij “gaat van Au!”’ Zoals veel klasgenoten heb ik die interviews gebruikt in het kader van mijn eindexamen Nederlands, want wij moesten niet alleen een literatuurlijst met ‘echte boeken’ lezen, maar ook secundaire bronnen over die literaire werken bestuderen.

Hoe gaat rechtspreken? Voor een deel zeker ook van Au. Bijvoorbeeld wanneer een rechter zich een weg moet banen door de spreekwoordelijke stapel verhuisdozen, gevuld met ordners, in een poging vast te stellen waar de zaak in vredesnaam over gaat en welke feiten precies wel en niet zijn betwist. Ook de poging om de zo helder klaterende gedachtestroom in een uitspraak te verwoorden is soms een worsteling. En dan zwijg ik nog maar over de blauwe plekken die een rechter moet incasseren wanneer een collega-rechter een concept-uitspraak becommentarieert of – nog erger – een hoger rechtscollege de weloverwogen beslissing vernietigt.

Een rechter moet niet alleen zitvlees hebben en kunnen slikken. Zij (soms een hij) moet ook beschikken over het vermogen om een zitting of mondelinge behandeling in goede banen te leiden. En daarbij het evenwicht bewaren tussen distantie en empathie, ook als het woord wordt gevoerd door een minderjarige of door een slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Hoewel ik – als hoogleraar slash cassatieadvocaat zonder enige rechterlijke voorgeschiedenis benoemd tot raadsheer in de Hoge Raad – niet op enige zittingservaring prat kan gaan, zie ik het grote belang in van de zogeheten zittingsvaardigheden.

Maar de belangrijkste eigenschap van alle rechters, ook die van de Hoge Raad, is in mijn perceptie hun voortdurende streven naar een balans tussen, aan de ene kant, een gezonde dosis scepsis en, aan de andere kant, het vermogen tot – wat in het Engels zo fraai heet – ‘willing suspension of disbelief’. Dat moet ik uitleggen.

Vaak denk ik tijdens het lezen van processtukken ‘kan-niet-waar-zijn’ of – opnieuw in het Engels – ‘don’t insult my intelligence’. Want bijna iedere procespartij heeft de neiging om haar standpunt met veel aplomb te presenteren, en voorbij te gaan aan de mogelijkheid dat de feiten of het recht ook anders in elkaar kunnen steken. En de wederpartij toetert al even hard haar gelijk. Rechterlijke scepsis is een goede remedie tegen deze kakafonie. Dat brengt mij ertoe om – variërend op Lenins uitspraak ‘Vertrouwen is goed, controle is beter’ – de betogen van de procespartijen kritisch tegemoet te treden en waar nodig nog maar eens goed te onderzoeken hoe het zit.

En toch. Een rechter moet proberen – een beetje zoals de lezer van een roman, de toeschouwer van een toneelvoorstelling of de bezoeker van een film – haar oordeel dat het gepresenteerde ongeloof­waardig is, zolang mogelijk uit te stellen. Dus laat ik mij op sleeptouw nemen door de betogen van de procespartijen en hun advocaten, onder het motto ‘het-zou-waar-kunnen-wezen’. Niet ‘eerst zien, dan geloven’, maar ‘eerst geloven, dan verder zien’.

Ik hoor en wederhoor, ik lees en herlees, ik check en double-check, totdat het laatste restje twijfel is verdwenen. Pas dan durf ik te denken dat ik weet hoe het zit.

Scepsis en willing suspension of disbelief: het zijn twee essentiële, elkaar corrigerende denkwijzen van iedere rechter. Een tweeledig Hm: twijfel over wat wordt aangedragen en aarzeling bij de eigen oordeelsvorming. Rechtspreken roep ik gaat van Hm.

Deze column is verschenen in Ars Aequi maart 2019.