De wereld telt vele kleine en enkele grote rechtsstelsels. Tot de grote rechtsstelsels behoren in Europa die van Duitsland, Engeland en Frankrijk, en daarbuiten in elk geval de Verenigde Staten en China. In dit rijtje ontbreekt vooralsnog India. Het lijkt erop dat dit land als stelsel stelselmatig wordt ondergewaardeerd. De Nederlandse onderzoeker die een rechtsvergelijkende studie overweegt op te zetten, zal vrijwel steeds opteren voor vergelijking van eigen recht met een of meer Europees-continentale stelsels en ten minste één commonlawstelsel. Wie daarnaast de wijde wereld intrekt, komt al gauw bij – een van – de Verenigde Staten en – ondanks de taalproblemen – China terecht. Die taalproblemen zijn er niet met India, de qua bevolking tweede natie van de wereld waar Engels als lingua franca functioneert. Toch ziet men zelden publicaties waarin Indiaas recht aan de orde komt. In deze column wil ik proberen enig enthousiasme voor dit stelsel op te wekken.

Het belangrijkste rechtsinstituut is in de meeste landen het Supreme Court. Vooral als dat is uitgerust met de bevoegdheid om nationale wetgeving aan de Grondwet te toetsen, is het belang evident. Dat belang neemt alleen nog maar toe als de betrokken rechter van deze bevoegdheid een activistisch gebruik maakt. De Indiase rechter doet dat – zie Arun K. Thiruvengadam in The constitution of India. A contextual analysis (Oxford: Hart 2017, 224 p.). Hij heeft zijn handen vol aan tal van constitutionele kwesties, samenhangend met het maar niet willen verdwijnen van het kastenstelsel. Het verbod in sommige deelstaten op de slacht van koeien brengt ons bij de godsdiensten – India is blijkens de preambule van de Grondwet van 1950 een seculiere staat, maar naast de hindoes (80%) spelen moslims (14%), christenen (2%), sikhs (2%) en boeddhisten (1%) een niet onbelangrijke rol. In de moslimgebieden wordt de sharia nog streng toegepast en driemaal de talaq uitspreken was voor de man voldoende om zijn huwelijk te ontbinden. Hieraan heeft het Supreme Court op 22 augustus met 3 tegen 2 stemmen evenwel een einde gemaakt.

En het civiele, bestuurs- en strafrecht, biedt dat naast de ons bekende Engelse common law veel nieuws? Zeker. Men denke aan de Indiase wetboeken. In zijn geboorteland Groot-Brittannië heeft Jeremy Bentham met zijn codificatiestreven niet veel succes gehad. In India ligt dat anders: diverse wetboeken zijn hier tot stand gekomen, zoals de Indian Penal Code (1862) en de Contracts Act (1872). Kort geleden waren er twee Israëliërs die indachtig artikel 44 van de Grondwet – ‘The State shall endeavour to secure for the citizens a uniform civil code throughout the territory of India’ – zelfs een geheel nieuw burgerlijk wetboek voor India schreven (Shimon Shetreet & Hiram Chodosh, Uniform civil code for India. Proposed blueprint for scholarly discourse, Oxford: University Press 2015, 344 p.) – bij dat schrijven zal het voorlopig wel blijven.

Wie zich met rechtsvergelijking bezighoudt, doet er goed aan eerst twee onderwerpen te bestuderen: de rechtsgeschiedenis en de rechterlijke organisatie. Die rechtsgeschiedenis reikt in India terug naar de Veda’s en de Upanishads. Een korte blik in Wikipedia brengt ons au fait. Het is niet alleen folklore die India voortbrengt, maar moderne industrieën zoals de staalindustrie, Bollywood en het Indiase Silicon Valley brengen ons ook bij het hart van de globalisering van het recht.

Moeten we Indiaas recht dus toevoegen aan de te vergelijken stelsels? Die conclusie is iets te snel getrokken. Wie een onderzoek opzet, zal zich in de eerste plaats moeten afvragen of rechtsvergelijking daar een plaats in verdient en zo ja, of een keuze voor India – of welk ander stelsel ook – aansluit bij de probleemstelling. Degene die zich met harmonisatie van het recht in Europa bezighoudt, zal gewoonlijk niet bij India aankloppen. Maar bij religieuze kwesties valt het zeker te overwegen, terwijl ook de vraag hoe in een stelsel met een commonlawachtergrond met gecodificeerde wetten wordt omgegaan in India nuttige impulsen kan ontvangen.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi oktobernummer 2017.