In een vorige column schetste ik de opkomst en het verval van ooit roemruchte juridische studie­gezelschappen zoals de Offerhauskring, de studiekring H. Drion, het Bloembergenschap en de Kleijne Klub. Alleen de Studiekring normatieve uitleg van Jan van Dunné bleek nog te bestaan. Ook de jaarlijkse Scholten-studieochtend kan wellicht tot deze categorie worden gerekend. Maar er is ook een ander type genootschap dat nog wel een bloeiend bestaan leidt. Dat zijn gezelschappen die vaak maandelijks bijeenkomen om over actuele juridische thema’s te discussiëren. Het oudste genootschap is Door Tijd en Vlijt (1777). Daarnaast is er het van 1810 daterende genootschap Iustitia et Amicitia, dat met een fraaie bundel – Massificatie in het privaatrecht – in 2010 het tweede eeuwfeest lustrum vierde. De achttien ‘werkende leden’ van het genootschap Door Tijd en Vlijt komen onder voorzitterschap van de Haagse advocaat Menno Bruning 10x per jaar te Den Haag bijeen. Telkens wordt door twee werkende leden gepleit over een belangwekkende juridische vraag, waarna debat volgt. Twee keer per jaar wordt gedineerd met de ereleden van het Genootschap. Door Tijd en Vlijt is opgericht in 1777, nog gedurende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, en viert dit jaar zijn 48e lustrum. Ook de 20 werkende leden van Iustitia et Amicitia vergaderen maandelijks in Den Haag onder voorzitterschap van de Leidse docent Jelle Nijland. Groningen heeft zelfs twee van deze genootschappen: Pro Excolendo Iure Patrio en het Rechtsgeleerd Genootschap. Dat eerste is volgens de blog van Sjef van Swaaij ’s werelds oudste juridisch genootschap – opgericht in 1761 – met recentelijk als voorzitter Huub Willems, voormalig voorzitter van de Ondernemingskamer. Als zinnebeeld heeft het de rups, zoals ons wordt meegedeeld door Jeannette Smit in Groninger Opmerkingen en Mededelingen 2017, p. 121, 122.

Een derde tak – naast de genootschappen ad personam en de pleitgezelschappen – wordt gevormd door lokale gezelschappen, zoals het Fries Juridisch Genootschap (29 mei 2017, Jacob van Sluis over de Universiteit Franeker), het Haags Juridisch Genootschap (14 april 2016, Ivo Giesen over aansprakelijkheid van advocaten), het Haarlems Juridisch Genootschap (7 maart 2017, Christ’l Dullaert over digitalisering), het Leidsch Juridisch Genootschap (22 februari 2017, Egbert Myjer over ‘mensenrechten zijn niet soft’), het Juridisch Genootschap Nijmegen (10 april 2017, L. Nieuwerth over de politie Gelderland-Zuid) en het Juridisch Genootschap Maastricht (maart 2017, Bruno de Witte over Brexit). Tussen haakjes heb ik aangegeven wanneer ongeveer de meest recente bijeenkomst plaats vond over welk onderwerp.

Ook deze genootschappen lijken te bloeien, maar het is niet uitsluitend rozengeur. Een ooit roemrucht gezelschap als het Utrechts Juridisch Genootschap moest enige jaren terug het leven laten en van het Amsterdams Juridisch Genootschap Notariële Vereniging, het Arnhems Juridisch Genootschap, het Juridisch Genootschap voor het arrondissement Breda, het Juridisch Genootschap Dordrecht, het Juridisch Genootschap Eindhoven, het Juridisch Genootschap Zutphen/Deventer, het Rotterdams Juridisch Genootschap en het Zwolsch Juridisch Genootschap trof ik geen recentere convocaties dan uit 2013 aan.

Enigszins buiten de persoonsgebonden, tijdloze en geografisch bepaalde gezelschappen zijn er ten slotte de nationale of Europese genootschappen met een functioneel karakter. De Vereniging voor Administratief Recht, de Vereniging voor Bouwrecht, De Vereniging voor Burgerlijk Recht, om er slechts enkele te noemen en de vele Jonge Balies niet te vergeten. Te veel zelfs om hier allemaal genoemd te worden, zodat we deze voor vermelding in een volgende column opsparen.

De meeste van de genoemde gezelschappen hebben twee functies. In de eerste plaats beogen zij de aangesloten leden op de hoogte te stellen van recente ontwikkelingen in de rechts­geleerdheid. In de tweede plaats vormen zij een netwerk dat kan worden benut om informatie uit te wisselen. Bij de alleroudste genootschappen betekent het pleiten voorts een waardevolle praktische oefening.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi septembernummer 2017.