‘Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie’

In het Museum van Merkwaardige Juridische Redeneringen verdient het argumentum a contrario een grote zaal – alleen al vanwege de geweldige analyses van deze redenering. Mooi is bijvoorbeeld het vaderlijke advies van Pitlo in zijn Systeem van het Nederlands Privaatrecht:

‘Men vindt in de wet voor geval A een regeling en concludeert hieruit, dat zij dus niet voor de gevallen B en C geldt. De redenering heeft niet ten onrechte altijd in een enigszins kwade reuk gestaan. Zij is wat te gemakkelijk, te goedkoop en kan voortkomen uit, en leiden tot denktraagheid. De beginneling in het recht zij er op gewezen voorzichtig om te gaan met deze wijze van lezen.’

Lang geleden heeft Wouter Paap de a contrario in zijn sleutelroman Vincent Haman (1854) belachelijk gemaakt. Tijdens een schoolreisje redeneert het jongetje Vincent als volgt: het is verboden om tegen een boom te plassen, dus het is niet verboden om in een hoed te plassen. Dit laatste doet hij en wanneer hij hiervoor straf dreigt te krijgen, zeggen hij en de verteller:

‘Ik protesteer. Dat is geen recht. Er is verboden op de wandelingen tegen de boomen te doen. Er is dus niet verboden het op de wandelingen in zijn hoed te doen. Als dat de bedoeling van mijnheer was geweest, dan had-i moeten zeggen, dat men het op de wandelingen heelemaal niet mocht doen. Juridisch had hij gelijk. In de rechtsgeleerdheid, in de pleitzalen, in de vonnissen der Hooge-raden van Europa wordt dagelijks met het sedert eeuwen beroemde en dan ook volmaakt idiote argumentum a contrario, waarvan hij zich hier bedient – lees voor “mijnheer” “de wetgever” – aan redeneeringen als die van Vincent gelijk gegeven.’

Een volmaakt idiote redenering? Hans Nieuwenhuis denkt er heel anders over. In zijn klassieker ‘Legitimatie en heuristiek van het rechterlijk oordeel’ (RM Themis 1976, p. 494-515) legt hij uit dat de a contrario een rationele manier van rechtvaardigen is: ‘In een a contrario argument wordt “indien p dan q” gelezen als “uitsluitend indien p dan q” en vandaar “indien niet-p dan niet-q”’. Ik zou daar het volgende aan toe willen voegen. Beschouwt men ‘p’ niet als een noodzakelijke, maar als een voldoende voorwaarde, dan is de analogieredenering in principe toelaatbaar. Maar men kan dan op grond van onvergelijkbaarheid toch ook op een a contrario uitkomen. Vergelijkbaar of onvergelijkbaar, dat is dan de moeilijke vraag. De vergelijking is in de eerste plaats altijd relatief ten opzichte van een criterium (descriptief, evaluatief of normatief), ten tweede gradueel (beetje meer of minder), ten derde comparatief (vergelijken met a, b of c?), ten vierde symmetrisch (als a op b lijkt, dan lijkt b ook op a) en ten vijfde soms transitief (als a vergelijkbaar is met b en b met c, dan is a vergelijkbaar met c).

Deze eigenschappen van de vergelijkingsrelatie alleen al maken het moeilijk een oordeel te vellen over de aanvaardbaarheid van een analogie- of a-contrarioredenering. Zijn vrouwen vergelijkbaar met mannen? Het hangt ervan af! Laten we maar eens kijken in de Salon van de Geweigerde Analogieën. Een sauna had een speciale vrouwendag ingesteld. Iemand die bijvoorbeeld man is, kan dan natuurlijk geldig a contrario afleiden dat hij op die dag niet welkom is. De klager in de zaak bij de Commissie Gelijke Behandeling (oordeelnr. 2004-75) beschouwde deze vrouwendag als een schending van het gelijkheidsbeginsel. De commissie was het met hem oneens: gelijkwaardig is in deze context niet hetzelfde als gelijk, want gelijkheid zou er bijvoorbeeld toe leiden dat sanitaire voorzieningen voor vrouwen moeten worden voorzien van urinoirs…

De juiste keuze en toepassing van de a contrario kan dus inderdaad lastig zijn. Gelukkig had Pitlo voor ons, beginnelingen in het recht, nog een ander advies: ‘Als u er bij een casus niet uitkomt, vraagt u het gewoon aan uw moeder.’ Een goede raad. Maar in de Jaap Edenhal, als je met bevroren voeten tentamen moest doen, had je er weinig aan.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi juninummer 2017.