´Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie´

‘Maar professor Swaab,’ zei Aristoteles, ‘u schrijft dat wij ons brein zijn. Als dat zo is, dan bent u identiek aan uw brein, toch? Maar als dat zo is, dan bent u ook identiek aan het brein van uw brein en aan het brein van het brein van uw brein, enzovoorts! Klopt dit allemaal professor?’ Aristoteles probeert hier een van zijn trucjes uit Over de sofistische weerleggingen: hij verleidt zijn opponent tot herhalingen, net zolang tot deze eindigt in een state of babbling. Aristoteles en Swaab denken verschillend over de persoon en zijn brein. Net zomin als het oog kan zien, kan het brein denken, vindt Aristoteles. Alleen een persoon met ogen en hersenen kan zien en denken. Verbreek je die eenheid, dan maak je je schuldig aan de mereologische drogreden die Swaab en veel neurowetenschappers zouden begaan: je schrijft een eigenschap toe aan een deel van een persoon die alleen aan een gehele persoon kan worden toegeschreven (een lid dus van de familie divisiedrogredenen, waarbij het geheel en de onderdelen worden verward: de wasmachine is zwaar, dus onderdelen van de wasmachine zijn zwaar).

De laatste jaren worden de neurowetenschappen ook omarmd door juristen en de rechtswetenschap. Zo verscheen 2 februari jl. het WODC-rapport Neurowetenschappelijke toepassingen in de jeugdstrafrechtketen. Dit onderzoek richt zich op toepassingen van neurowetenschappelijke inzichten zoals preventie en aanpak van antisociaal gedrag. Maar er zijn veel grotere juridische vragen en problemen die door de neurowetenschappen worden opgeworpen. Tekenend daarvoor was de Nederlandse wetenschapsagenda van de KNAW uit 2011. Een van de 49 grote vragen van de wetenschap voor de toekomst was: wat betekenen hersenwetenschappen voor het recht? Volgens de KNAW heeft de vooruitgang in de neurowetenschappen grote consequenties voor recht en ethiek: ‘Zo baseert ons recht zich veelal op een vrije wil. Maar hoe vrij is die wil als sommige gedragspatronen deels in onze hersenen zijn voorgeprogrammeerd of worden gestuurd en beïnvloed door chemische verbindingen?’

De discussie over deze vraag is al een tijdje gaande. Een van de bekendste standpunten van juristen is dat het recht nu eenmaal een vrije wil veronderstelt en dat dit een normatieve aanname is die zich niet leent voor feitelijke weerlegging. Soms worden het wat ingewikkelder redeneringen. Zo bracht een van de deelnemende juristen aan een symposium Cognitie en Justitie het volgende naar voren: ‘Of het brein nu automatisch werkt of niet, mensen kiezen zelf hoe ze hun daden, de reactie van hun brein, moeten interpreteren. Daarom beschouwt het recht een mens toch als iemand met een vrije wil, die verantwoordelijk gehouden kan worden voor zijn daden.’ Ja, daarmee overtuig je de neuro­wetenschappers natuurlijk niet.

Een van de discussianten in dit debat – Stephan Morse – heeft al tien jaar geleden een nieuwe neurobiologische ziekte onder juristen gediagnostiseerd: het Brain Overclaim Syndrome. De lijder aan deze cognitieve stoornis heeft te hoge verwachtingen van de resultaten van de neurowetenschappen voor het oplossen van centrale problemen in het recht. Een voorbeeld van de gevolgen van deze aandoening vinden we bij Richard Goodenough. Uitgaande van de ‘modulaire theorie’ over het menselijk brein probeert hij aan te tonen dat het denken in termen van rechtvaardigheid in een ander deel van de hersenen plaatsvindt dan het denken in termen van regels. Stel nu dat dit experimenteel wordt aangetoond, bijvoorbeeld door proeven met hersenscans, wat volgt daar dan uit voor een theorie over het oplossen van juridische problemen? Niet veel, volgens zijn opponenten.

Morse biedt niet alleen instrumenten voor een diagnose van het Brain Overclaim Syndrome, maar ook een behandeling: cognitieve jurotherapie. Deze therapie helpt de normatieve grondslagen van het juridisch redeneren weer terug te vinden. Ach, zou ik denken, dat hebben nuchtere juristen helemaal niet nodig. Wij onderzoeken alles en behouden het goede. En wij houden de stelregel van de wetenschapper Richard Dawkins in onze gedachten: ‘We should be open-minded, but not so open-minded that our brain falls out.’

Deze column is verschenen in het Ars Aequi meinummer 2017.