´Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie´

Na ‘framing’ dansen er nieuwe oude bekenden op het bal: de ‘alternatieve feiten’. ‘Framing’ is niets anders dan de klassieke retorische strategie om hetzelfde anders te presenteren, zonder onwaarheden te verkopen.

Bij ‘alternatieve feiten’ staat de waarheid zelf ter discussie. Er wordt schande gesproken van het verwarren van feiten en meningen en er zijn pleidooien voor een hernieuwd respect voor de ‘echte feiten’ en het wetenschappelijk bewijs. Gaan we terug naar de tijden van de Wissenschaftliche Welt­auffassung? Ik denk het niet. Daarvoor is het concept ‘alternatieve feiten’ te diep geworteld in de wetenschap. Ook generaties juristen hebben aan goede faculteiten hun Popper geleerd: feiten worden waargenomen vanuit een bepaald theoretisch perspectief en dat perspectief kan wisselen. Heb je dat inzicht, dan begrijp je ook de betrekkelijkheid van de rechtsspreuk ‘geef mij de feiten, dan geef ik u het recht’. Helaas is dit Popperiaanse gedachtegoed soms wat ontspoord. Bijvoorbeeld bij de ‘antirealistische perspectivisten’, die beweren dat er geen werkelijkheid is die los van ons bestaat en dat de hele rataplan die we wetenschap noemen een arbitraire constructie is. Ja, dan krijgt het begrip ‘alternatieve feiten’ een wat andere lading. ‘Wat jij de feiten noemt is het resultaat van een inwisselbaar subjectief perspectief: de evolutietheorie is ook maar een mening.’

Goddank was dit nooit dominant in de rechtswetenschap. Daar heerst respect voor de feiten en het recht. Dan rest er nog genoeg om over van mening te verschillen. Dat bleek bijvoorbeeld bij de publicatie van De slapende rechter (2009). De auteurs (rechtspsychologen) betoogden dat er bij het onderzoek naar de feiten in strafzaken nogal eens wat fout gaat. Logisch, beweerden zij polemisch: het is mensenwerk en bij het vaststellen van feiten bezitten juristen geen bijzondere deskundigheid. Sterker nog, vervolgden zij psychologiserend en drogredelijk, juristen

‘[…] lijken eerder slechter toegerust dan de meeste academisch geschoolden. Veel studenten gaan juist rechten studeren omdat de kwantitatieve kant van andere academische studies hun angst inboezemt. En rechtenstudenten komen vervolgens in een studie terecht waarin alle vakken die praktisch of theoretisch inzicht geven in problemen rond hoe-kom-ik-te-weten-hoe-de-wereld-in-elkaar-steekt zorgvuldig achterwege zijn gelaten. Zij worden opgeleid in positief recht over hoe de wereld er volgens de wetgever behoort uit te zien; niet in de feiten.’ (p. 17-18)

Het onderzoek naar de feiten zou er volgens de auteurs bij winnen als het wetenschappelijker zou zijn, meer gericht op alternatieve feiten en verklaringen, niet alleen op verificatie maar ook op falsificatie. Dat voorkomt tunnelvisies en ongerechtvaardigde conclusies, zoals zij met een aantal analyses laten zien.

Dit alles bleef niet onopgemerkt en voor liefhebbers van drogredenen ontspon zich een heerlijke discussie. Ik noem drie voorbeelden. De eerste reactie kwam erop neer dat de auteurs niet goed hadden begrepen dat het ‘strafrechtelijk bewijs’ iets heel anders is dan ‘wetenschappelijk bewijs’ waarbij uitgegaan wordt van een ‘gegeven werkelijkheid’ (dat laatste beweerden de auteurs juist niet). Bij de strafrechtelijke bewijsconstructie zou het niet alleen gaan om overeenstemming met de feiten, maar ook om coherentie van de bewijsmiddelen. Geen geruststellende gedachte voor de auteurs, nu zij juist de coherente onzin van sommige bewijsconstructies aan de orde stelden. De tweede reactie had het karakter van een ad consequentiam-drogreden: het onwenselijke gevolg van het betoog van de auteurs was dat de indruk was gewekt dat de rechters wakker moesten worden geschud terwijl dat toch echt niet nodig was. Deze ‘argumentatie’ veronderstelde dat het betoog van de auteurs al was weerlegd, maar dat stond nu juist nog ter discussie. De derde reactie was een mooie ad hominem. De auteurs bepleiten een kritische, ook op falsificatie gerichte bewijsvoering in strafzaken. Maar hun eigen betoog was slechts gericht op verificatie. OK…?

Op de achtergrond speelde het wantrouwen tegen de ‘andere’ discipline. ‘Bent u eigenlijk wel jurist?’, vroeg men wat langer geleden aan de rechtspsycholoog die kritische vragen stelde. Welke drogreden lag ook alweer in deze vraag besloten?

Deze column is verschenen in het Ars Aequi aprilnummer 2017.