´Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie´

Als het allemaal niet zo erg was, zou je er soms om kunnen lachen: de reductio ad Hitlerum. Afgelopen zomer bijvoorbeeld, bij de discussie over het boerkiniverbod. Wilders was voorstander van zo’n verbod: ‘We staan ook geen badpakken van de Nazi’s toe’. Je ziet het helemaal voor je. Of wat langer geleden, toen Wilders de Koran wilde verbieden omdat Mein Kampf ook verboden is. ‘Ik ben het helemaal met de heer Wilders eens’, zei Pechtold, ‘ik vind ook dat dit verbod moet worden opgeheven’. Mooi gebruik van de symmetrie van de vergelijkingsrelatie. Mijn judoleraar zou hebben gezegd: knappe overname van de worp!

De reductio ad Hitlerum is het gekke neefje van de ad hominem-drogreden. Het is een persoonlijke aanval. Men valt niet het standpunt van de spreker aan, maar de spreker zelf. Simpel voorbeeld: ‘Jij bent voor het vegetarisme? Dat was Hitler ook.’ Maar ad Hitlerum is ook familie van de reductio ad absurdum– en de ad consequentiam-drogreden, waarbij de aanvaarding van het standpunt louter wordt beoordeeld op de gevolgen die dat met zich meebrengt.

Er wordt vaak gevraagd naar de ‘uiteindelijke’ rechtvaardiging voor regels van rationele argumentatie en drogredenen. Een van de antwoorden is dat die regels geschikt zijn om een bepaald doel te bereiken – bijvoorbeeld de oplossing van een verschil van mening – en dat die regels worden aanvaard door de discussianten. Technisch geformuleerd: de regels zijn probleemdeugdelijk en inter­subjectief aanvaardbaar. Voor de aanvaardbaarheid van een verbod op de ad Hitlerum bestaat wel enige evidentie. In 1990 formuleerde Mike Godwin de Wet van Godwin: ‘As an on-line discussion grows longer, the probability of a comparison involving Nazis or Hitler approaches 1.’ De bedoeling van deze beschrijvende wet is eigenlijk om het gebruik van de ad Hitlerum tegen te gaan: stop met die drogreden. Op Wikipedia lezen we dat discussiefora op internet de wet inderdaad als een verbod opvatten: degene die de Nazi’s als eerste noemt, heeft dan automatisch verloren.

Bij de toepassing van de strafrechtelijke bepalingen over belediging wordt de Wet van Godwin nog niet zo strikt gehanteerd. Volgens mij is dat ook niet zo gek. Er komen nogal wat ingewikkelde theoretische vragen samen bij het toepassen van deze bepalingen: betekenis, strekking, intentie, verantwoordelijkheid, causaliteit en waardering van het effect. ‘Heil Hitler!’ zegt iemand tegen een agent. De rechter moet beoordelen of die woorden (in de context) een beledigende betekenis of strekking hebben, of degene die dit heeft gezegd ook de intentie had om te beledigen of daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden, of er ook een effect is opgetreden en of dat effect ook redelijkerwijze als ‘beledigd zijn’ kan worden gekwalificeerd. En wat zegt de verdachte? ‘Het is helemaal geen belediging, het is een begroeting!’ Om de zaken verder te compliceren, kan zijn advocaat daar nog subsidiair aan toevoegen dat de uiting een ‘onderdeel is van een maatschappelijk debat’. En er zijn zelfs juristen die de hele beschermingsgedachte die aan uitingsdelicten ten grondslag ligt in twijfel trekken en die beweren dat ‘de woorden vrij zijn’.

In het recht en in rechtswetenschappelijke debatten heeft de ad Hitlerum een gedenkwaardig dubieuze reputatie. In de jaren 70 van de vorige eeuw wilde de criminoloog Buikhuisen onderzoek doen naar mogelijke biologische factoren van crimineel gedrag. Met een grote en lange ad Hitlerum-aanval werd Buikhuisens werk (en leven) onmogelijk gemaakt. Zijn werk zou neerkomen op het uitvoeren van een Nazi-programma. Er wordt veel geklaagd over de grofheid van het huidige maatschappelijk debat. Veel beter was het niet in die tijd. Maar dat is natuurlijk een omgekeerde drogreden argumentum ad antiquitatem.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi februarinummer 2017.