Deze column gaat niet over een duwbak, maar over een tv-presentatrice met diezelfde naam. ‘Arnold van den Hurk drukte op tv op een knop, en liep zo vijf miljoen euro mis. Vergissing, zei hij. Pech, vond het programma. De rechtbank hoorde dinsdag presentatrice Linda de Mol.’ Aldus een bericht op de society-pagina van NRC Handelsblad van 6 april 2016. Iedere docent verbintenissenrecht zal zijn oren spitsen: ha, een contractuele kwestie, uit het leven gegrepen. Eerst iets meer over de casus, want niet iedereen zal zich die gedenkwaardige uitzending op 16 oktober 2013 van het programma Postcode Loterij Miljoenenjacht tot in detail herinneren. Bij dit spel moet – of moest – een kandidaat een koffer met een onbekend bedrag kiezen. Dan probeert ‘de bank’ die koffer van hem te kopen. De kandidaat kan hiermee instemmen door op een knop te drukken. Banketbakker Arnold van den Hurk uit Son en Breugel drukte op de knop toen de bank € 125.000 bood. Maar dat was een vergissing. Van den Hurk wilde helemaal niet met dit bedrag instemmen. Hij wilde doorspelen. Terecht, naar later bleek, want in de koffer zat € 5 miljoen. Presentatrice Linda de Mol wilde wel coulant zijn, maar de notaris was onverbiddelijk: gedrukt is gedrukt. Thans overweegt Van den Hurk een rechtszaak tegen Endemol. Heeft hij kans van slagen? Nee dus, denk ik, maar wellicht heeft de bakker ook supporters.

Het is niet de eerste keer dat spelprogramma’s bij de rechter belanden. In 2008 kreeg de Hoge Raad het volgende dossier voorgelegd. Eiser nam op 4 september 2000 deel aan Endemols spel­programma Lotto Weekend Miljonairs. In dat kader kreeg hij de volgende vraag voorgelegd: ‘Wanneer mochten vrouwen voor het eerst meedoen aan de Olympische Spelen?’ Hij kon kiezen uit de volgende antwoorden: ‘A. Tokio 1966; B. Londen 1948; C. Stockholm 1912; D. Parijs 1900’. Eiser speelde op dat moment voor een bedrag van ƒ 250.000. Bij het voortraject was hem reeds een soortgelijke vraag voorgelegd. In de echte quiz koos hij voor ‘C. Stockholm 1912’, welk antwoord onjuist werd gerekend. Eiser had voorafgaand aan de quiz een kandidatenverklaring ondertekend luidende ‘Binnen het kader van het televisieprogramma zal de kandidaat zich neerleggen bij iedere beslissing van de producent of zijn vervanger en deze beslissing naleven.’

Rechtbank en hof wijzen de vordering van eiser tot vergoeding van alle door hem geleden schade af. In cassatie strandt de vordering op artikel 81 RO: HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0686, RvdW 2008/627, na een conclusie tot afwijzing van het beroep van A-G Spier. Het betoog van eiser komt er volgens de A-G op neer dat hij Endemol meent te kunnen voorschrijven hoe zij te werk moet gaan in een quiz waarin hij, zonder relevante tegenprestatie, aanzienlijke bedragen kan winnen. Daar is mijns inziens wel wat op af te dingen. Stel dat de eiser de vraag had gekregen waar de Olympische Spelen van 2016 zijn gehouden en het antwoord Rio de Janeiro was fout gerekend. Dan had hij mijns inziens de procedure moeten winnen, evenals wanneer de spelleider een flagrante schending van de regels van fair play had begaan. Inspiratie hiervoor kan worden geput uit artikel 7:904 lid 1 BW en de literatuur daarover zoals het proefschrift Bindend advies (Deventer: Kluwer 2012, 357 p.) van Paulien Ernste. Die regeling is weliswaar niet rechtstreeks van toepassing, maar analogie kan ons hier verder helpen.

Bakker Arnold van den Hurk geef ik zoals gezegd weinig kans, maar daarmee zijn de kansen van andere deelnemers aan tv-spelletjes niet geheel verdwenen.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi januarinummer 2017.