In 1966 kreeg ik een aanstelling aan de toenmalige Rijksuniversiteit Leiden. Veertien jaar nadien wisselde ik mijn Leidse – inmiddels – hoogleraarsfunctie om voor die te Utrecht, waar ik thans nog werkzaam ben. Bij elkaar opgeteld betekent dit een halve eeuw in rijksdienst, een mooi moment voor een terugblik. Wat is er die laatste vijftig jaar in het universitaire leven veranderd? Als we er zo over nadenken is dat heel wat, vaak ten goede. Allereerst is het juridische veld ingrijpend gewijzigd. In mijn eerste jaar waren er nog maar 3000 rechtenstudenten in Nederland, waarvan 1200 in Leiden. Het grootste advocatenkantoor van ons land telde acht advocaten. De studiestof bestond vrijwel uitsluitend uit Nederlandstalige materialen, met soms enige Duitse en Franse literatuur (Engels werd te moeilijk geoordeeld). Buitenlandse studenten waren er niet, behalve uit België, de Nederlandse Antillen, Suriname en Zuid-Afrika.

De studie was gemakkelijk in anderhalf jaar te doen, zij het dat men alleen een goed jurist werd door mee te doen aan enkele van de vrijwillige activiteiten van pleit- en andere disputen en excursies naar binnen- (Veenhuizen) en buitenland (legal London). Interdisciplinair onderzoek vond alleen bij het hoofdvak strafrecht plaats. Internationalisering en verwetenschappelijking lagen nog in de toekomst verborgen. Al deze dingen zijn bekend. Minder bekend is wellicht het volgende. De techniek was nog onontwikkeld. Een voorbeeld. In 1972 startte Leiden met een periodiek (de BW-krant; in gewijzigd format bestaat deze nog steeds). Het verzamelen van kopij voor dat blad was geen probleem. Dat probleem begon pas bij de vermenigvuldiging, met vieze, zwart afgevende Gestettner-stencils. Een ander voorbeeld. Wie een citaat uit een boek of de NJ wilde hebben, stond niets anders te doen dan de tekst over te schrijven: fotokopieerapparatuur was er niet of veel te kostbaar. Eind jaren zestig werden de eerste computercursussen (Algol, Fortran, PL1) gegeven, maar internet zou nog enige decennia op zich laten wachten. Juridische materialen waren dan ook veel minder gemakkelijk te verwerven dan heden ten dage. Wie bijvoorbeeld een bijzondere belangstelling had voor Australisch recht, moest daarvoor de reis naar Londen ondernemen. Of we dat zelf niet konden betalen? Zeker wel, maar salarissen waren niet echt riant – mijn aanvangssalaris in 1966 bedroeg ƒ 848 (iets minder dan € 400) per maand. Daar viel goed van te leven, maar geld voor reizen en apparatuur was er niet.

Ook op sociaal vlak hebben de conventies zich gewijzigd. ‘Meneer Fesevur, hoe lang kennen wij elkaar nu’, zo gaat een gevleugelde anekdote op mijn huidige instituut. Aan het woord een oudere hoogleraar. ‘Twaalf jaar, professor’, antwoordde Fesevur. ‘Dan wordt het nu tijd dat u mij gewoon meneer noemt’, aldus de professor. En bij het betreden van de collegezaal, gevolgd door de voltallige staf – bij prof. Robert Feenstra bijvoorbeeld waren dat zijn Leidse assistenten Hans Ankum en wijlen Felix Wubbe – stonden studenten nog eerbiedig op.

En toch… Is er nu écht veel veranderd? In mijn vakgebied, het privaatrecht, is er ongetwijfeld het nodige gebeurd. We hebben in 1992 een nieuwe codificatie van het privaatrecht gekregen. Brusselse regelgeving, Luxemburgse en Straatsburgse rechtspraak rukken op, evenals de uit Europa en het staatsrecht afkomstige fundamentele rechten. Het huwelijk is niet meer wat het ooit was en de besloten vennootschap heeft haar intrede gedaan. Elders is er een algemene wet bestuursrecht gekomen en een nieuw statuut voor het Koninkrijk.

En toch… Zou Gaius een kijkje in onze collegezalen komen nemen, hij zou zich er denkelijk meteen thuis voelen. Zijn potestatis punctus (ik ben er niet helemaal zeker van of dit de juiste vertaling is van powerpoint) van de verschillende obligationes zou ons nauwelijks archaïsch voorkomen. Voorspellingen zijn altijd risicovol, vooral als zij de toekomst betreffen. Niettemin denk ik dat twee millennia rechtsgeschiedenis – en zeker de laatste vijftig jaar – ons leren dat de grondbeginselen en -begrippen van het recht nog wel enige decennia, zo niet eeuwen, onder ons zullen zijn. (Wordt vervolgd – over vijftig jaar?)

Deze column is verschenen in het Ars Aequi oktobernummer 2016.