De plechtigheden begonnen op de begraafplaats van de krijgsgevangenen die in Bergen-Belsen stierven. Het gaat om 20.000 krijgsgevangenen, overwegend Russisch, wier lichamen in massagraven waren gedumpt. Hun lot is pas vorig jaar officieel uit de Duitse vergetelheid gehaald. Sinds de negentiger jaren komen archieven vrij in de voormalige Sovjet-Unie waardoor hun namen nu bekend worden, en schoolkinderen uit Nedersaksen maken tegels voor elke overledene waarop naam, geboortedatum en sterfdag zijn vermeld. Onveranderlijk zeer jonge soldaten. Bij de herdenking spreken gymnasiasten uit Celle over de lotgevallen van een paar van hen. Overigens was het lot van de Russische krijgsgevangenen die het overleefden, gelijkelijk tragisch: zij werden door Stalin gezien als collaborateurs, en eindigden veelal in de goelags. Terugkeer betekende vergelding.

De herdenking werd voortgezet bij de obelisk in Bergen-Belsen. Opmerkelijk is de aandacht in de verschillende lezingen voor het heden, en het belang van herdenken voor ons leven nu. In twee lezingen kwam het straf(proces)recht aan de orde. Mevrouw Anita Lasker-Wallfisch die Bergen-Belsen overleefde, was een van de getuigen in het (Britse) Lüneburger Bergen-Belsen-proces dat in het najaar van 1945 plaatsvond. Het was het proces tegen Josef Kramer en 44 anderen, waaronder enige kapo’s die zich schuldig hadden gemaakt aan bestiaal gedrag jegens medegevangenen. Mevrouw Lasker sprak over dit proces dat haar destijds als een farce voorkwam, en de verontwaardiging van toen klonk nu nog door in haar woorden; deze betrof de ongeschiktheid van het strafprocesrecht uit de wereld van voor de Holocaust – in het bijzonder de presumptio innocentiae – voor het berechten van oorlogsmisdadigers erna. Het reguliere systeem leek niet te passen op de massaliteit van de gepleegde misdrijven. Zij illustreerde dit aan de hand van vragen die haar in het proces werden gesteld: had zij gezien dat een van de aangeklaagden iemand had vermoord?

‘Wenn ich “ja” sagte, war die nächste Frage: an welchem Wochentag war das und um wieviel Uhr? Natürlich musste ich sagen, dass ik das nicht weiss. Ich stand unter Eid, und im Lager hatte man weder einen Kalender noch eine Uhr.’

Dit onvermogen leidde tot het gevoel dat haar getuigenis als onwaar werd gezien, en meer in het algemeen, dat conventioneel recht niet kon worden toegepast op dingen die buiten elke wet staan. Terugkijkend ziet zij het proces thans als ‘ein Anfang, relative Normalität in eine Welt zu bringen, in der jeder Begriff von Menschlichkeit und Menschenwürde verloren gegangen ist’.

Dit proces was het eerste internationale proces tegen Duitse oorlogsmisdadigers en het werd gevolgd door het proces van Neurenberg, dat eind 1945 begon. Professor Menachem Rosensaft ging in zijn lezing in op het feit dat de notie van misdrijven tegen de menselijkheid zoals opgenomen in het handvest van het tribunaal, revolutionair was: formeel bezien waren de misdrijven die in Duitsland waren gepleegd immers legaal onder de destijds vigerende wetgeving. Hij wees daarbij op Gustav Radbruch, een Duits jurist, die tegenover dit positivistische standpunt stelde dat de discriminatoire wetten van het derde rijk van meet af aan ongeldig waren:

‘wo Gerechtigkeit nicht einmal erstrebt wird, wo die Gleichheit, die den Kern der Gerechtigkeit ausmacht, bei der Setzung positiven Rechts bewußt verleugnet wurde, da ist das Gesetz nicht etwa nur “unrichtiges” Recht, vielmehr entbehrt es überhaupt der Rechtsnatur.’

Een standpunt dat in feite werd bevestigd door de Amerikaanse hoofdaanklager van het Neurenberg-­tribunaal, Robert Jackson. Natuurlijk gaat het om categoriaal andere kwesties, bewijsvoering en normstelling; desondanks lijkt het in beide gevallen uiteindelijk te gaan om de menselijke maat. In het eerste geval niet echt oplosbaar vanwege de concurrerende rechten van de beklaagde, maar in het tweede geval wel door het recht niet mechanistisch toe te passen.

De herdenking werd voortgezet bij het Joodse monument met de inscriptie Earth conceal not the blood shed on thee!: een roep om nooit te vergeten, en wellicht ook een wanhoopskreet en waarschuwing.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2016.