Mijn familie is geboren en getogen in Nederlands-Indië. Ik bezocht het land van herkomst pas recent – er woont nog steeds familie – maar de erfenis ervan was altijd tastbaar aanwezig, vooral die van WO II. Zoals zo velen was ook mijn familie in de oorlog geïnterneerd, mijn oma met twee kinderen, waaronder mijn vader, in een vrouwenkamp (net als vele andere familieleden), mijn opa en oom in een mannenkamp. Niet iedereen overleefde, mijn opa niet, zijn broer niet, de rest overleefde, min of meer. Over de oorlog werd thuis niet gesproken door mijn vader, maar elk diner waarbij mijn oma aanwezig was, eindigde met de Japanse commando’s die in het kamp bij appel gebruikelijk waren, en benamingen als heiho’s, daar groeide ik mee op. Mijn vader sprak niet over de oorlog; hij bracht zijn jeugd door in Jappenkampen, tot zijn elfde. Na de bevrijding moest men in de kampen blijven tot repatriëring naar Nederland mogelijk was. De repatriëring van mijn vader is uitzonderlijk en ik wilde zijn verhaal, als onderdeel van living history en in het licht van de 5 mei-herdenking vertellen.

Vanuit Tjideng vertrokken mijn oma en haar drie kinderen in het najaar van 1945 naar Tandjung Priok om met een troepentransportschip naar Nederland te gaan. Mijn vader, toen 11 jaar, werd echter van boord gezet in Singapore omdat hij aan geelzucht zou lijden. Met een kleine badjing, een baby-eekhoorn, meegenomen uit Tjideng, werd hij opgenomen in een ziekenhuis. De diagnose daar was honger en ontslag volgde, en verblijf in het Wilhelminakamp. Er gold een avondklok omdat er voortdurend gewapende schermutselingen plaatsvonden. In afwachting van een schip naar Nederland, werd geregeld dat mijn vader naar school zou gaan. De school lag buiten het kamp en hij werd, met kinderen uit de omgeving, met een militaire vrachtwagen gebracht en gehaald. De kinderen waren geïnstrueerd: gaan liggen als dat bevolen wordt. Dit bleek nodig: op een van de ritten naar school werd de truck aangevallen, en voordat de kinderen dekking konden zoeken, werd een van hen in het hoofd getroffen door een kogel; een Engels meisje dat naast mijn vader zat was op slag dood, en viel tegen mijn vader aan:

‘Ze was blond en had een witte jurk aan met een bloemetjesrand. Ik werd misselijk van de rotzooi om me heen, er zat werkelijk overal bloed op. Het leek wel of ze uit elkaar gespat was. Haar gezicht zag er in ieder geval zo uit. Ik heb me vaak afgevraagd hoe die idioot zou reageren als hij gezien zou hebben wat hij met z’n kogels had aangericht. Ik heb me ook afgevraagd of die fatale kogel, wanneer niet eerst die buis was geraakt, misschien rechtdoor was gegaan en misschien mij getroffen had. Dit zijn vragen waarop je nooit antwoord zult krijgen. Alice was dood, geen mens kon daar iets aan veranderen. Een onbekende dader heeft een voor hem onbekend meisje van 6 jaar gedood.’ (De familienaam van Alice is niet bekend.)

In februari 1946 vertrok mijn vader met de HMS Staffordshire naar Plymouth, en vandaar naar Nederland. Althans dat was de bedoeling; het schip voer, na Honolulu te hebben aangedaan, terug naar Singapore, en het verblijf in het Wilhelminakamp werd voortgezet totdat er een plek beschikbaar bleek aan boord van de Alcantara die vanaf Tandjung Priok, via Aden, naar Amsterdam voer. Met de badjing uit Tjideng, die zich aangekomen in Nederland tegoed deed aan het opeten van schilderijlijsten bij de familie waar het gezin zijn intrek nam.

Het is driekwart eeuw geleden. Denk je nog aan Alice?, vraag ik mijn vader. Ja, eigenlijk regelmatig. En hetzelfde geldt voor mij, en daarom in deze maand van herdenking, het verhaal van Alice’s dood. Zinloos zoals het lot van zovelen die in die oorlog omkwamen, en van hen die nu in conflicten sneuvelen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2016.