Op 12 maart 2014 promoveerde Johan Vannerom aan de Katholieke Universiteit Leuven op een studie over Consumentenbescherming bij de uitvoering en herziening van kredietovereenkomsten (Intersentia, 2015). Dit boek behandelt Belgisch, alsmede Duits en Engels recht. Nederlands recht komt niet aan bod. Dat hoeft in een Belgische dissertatie ook niet. Toch is het uitzonderlijk, want vrijwel alle Belgische proefschriften in de Nederlandse taal van de laatste decennia doen aan rechtsvergelijking met Nederland. ‘Hopelijk zullen ze daar in België lering uit trekken’, hoor ik de lezer al zeggen. De vraag die deze column wil opwerpen gaat echter in omgekeerde richting: maken wij in Nederland voldoende gebruik van wat de Belgen – en andere buitenlandse juristen – ons over Nederlands recht te zeggen hebben. Ik meen dat dit niet het geval is.

Belgische dissertaties worden door ons nageslagen op wat zij over Belgisch recht te zeggen hebben. Maar op datgene wat over ons Nederlandse recht wordt opgemerkt? Ik heb het nog niet gezien. Er zijn ook wel tegenwerpingen denkbaar. Als een Belgische – of een Duitse, Franse of IJslandse – promovendus over Nederlands recht schrijft, zal hij of zij zich gewoonlijk hebben beperkt tot het specifieke terrein van zijn/haar studie: de minimumstraf of het poldermodel. Het zicht op de context ontbreekt. Om die reden heb ik wel eens kritiek uitgeoefend op preadviezen van Duitse universitaire juristen over Nederlands recht. Die lijken op het eerste gezicht vaak uitstekend. Alle wetgeving, rechtspraak en literatuur wordt keurig ten toon gespreid en de conclusies die hier uit worden getrokken, lijken veelal goed verdedigbaar. Toch zijn zij dat lang niet altijd. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de laatste keer dat de Hoge Raad uitspraak over een bepaalde rechtsvraag heeft gedaan van 2007 dateert. De buitenlandse jurist zal dan voetstoots aannemen dat dit nog steeds geldend recht is. Wij autochtonen weten wel beter. Het kan vaak geruime tijd duren voordat de Hoge Raad een nieuwe kans krijgt om zich expliciet over de betrokken rechtsvraag uit te spreken. Als dan in de tussentijd op belendende rechtsterreinen wel voor een andere koers is geopteerd, weten wij het wel: dat gaat vervolgens ook bij onze rechtsvraag gebeuren.

Het is niet de enige hindernis die een buitenlands jurist bij kennisneming met Nederlands recht kan ontmoeten. Dat wij zoiets als een conclusie van de advocaten-generaal bij de Hoge Raad kennen, is voor de niet-Frans-georiënteerde jurist een verrassing, waar hij of zij dan ook niet naar op zoek zal gaan. De ruime toegankelijkheid via rechtspraak.nl wijkt ook af van vele buitenlanden. Rechtsvergelijking kortom kent zo haar perikelen.

Dat alles neemt niet weg dat buitenlandse juristen ook zinnige dingen over Nederlands recht kunnen zeggen. En dat het voor ons academici en aankomende academici aangewezen is om de Nederlandse jurist hierop te wijzen. Juist die andere context kan meebrengen dat een buitenlandse blik voor een frisse kijk op het Nederlandse recht kan zorgen. Diverse voorbeelden ter illustratie schieten mij te binnen, maar de beperkte ruimte van een column laat niet toe deze hier uiteen te zetten.

Niet alleen het Nederlandse recht kan hiervan profiteren. Ook een verdere europeanisering van de rechtswetenschap op dit continent is er uiteindelijk bij gebaat dat de hand- en studieboeken het nationale juk van zich afwerpen. Een Europese Asser-serie is en blijft ons ideaal.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi maart 2016.