Op donderdag 1 oktober van het vorig jaar vond in Utrecht een strafrechtelijk symposium plaats. Aanleiding was het tachtigjarig bestaan, in 2014 al, van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen, oorspronkelijk het Criminologisch Instituut van de Universiteit Utrecht. Bij die gelegenheid verscheen een bundel (F. de Jong (red.), Overarching views of crime and deviancy. Rethinking the legacy of the Utrecht School, Den Haag: Eleven 2015, 612 p.), waarin wordt ingegaan op de ontwikkeling van de Utrechtse school (1950-1963) en de Nieuwe Utrechtse school (1972-1994). Terwijl in de eerste periode multidisciplinair onderzoek centraal stond, ging de aandacht in de tweede periode uit naar de rechtspositie van de delinquent. Niet alleen de geschiedenis van het instituut komt in de bundel aan de orde, ook bevat deze een weergave van thans lopend en toekomstig onderzoek. In het Engels, want – zo hopen de redacteuren Miranda Boone, Ferry de Jong (hoofdredacteur), Constantijn Kelk, Frans Koenraadt, François Kristen, Dina Siegel, Eelke Sikkema en John Vervaele – ‘an exposition of the main ideas brought forth by our different predecessors and of the threads that connect the current (and future) research activities to these ideas should prove to be of interest for (…) a much larger, international audience’.

De dag werd niet gevuld met de aanbieding van het boek en enige gelegenheidstoespraken, maar met een heus symposium. Stersprekers waren daar in mijn ogen emeritus socioloog Kees Schuyt en EHRM-rechter Jos Silvis (oud-medewerker van het Pompe Instituut). De voordracht van Schuyt, getiteld ‘De tegenstrijdige bindingskracht van het strafrecht: het toenemend vertrouwen op en afnemend vertrouwen in het strafrecht en de strafrechtspleging, in het bijzonder in de laatste twintig jaar (1934-1994-2014)’, licht ik uit. De auteur ontleende zijn thema aan het afscheidscollege van Pompe over ‘Strafrecht en vertrouwen in de mede-mens’ (1963). Interessant is wat hij ons over de laatste twintig jaar te zeggen heeft. Deze periode wordt volgens Schuyt maatschappelijk vaak beschreven als gekenmerkt door afnemende, langzaam afbrokkelende sociale cohesie. Politici gebruiken het strafrecht om deze neergang tegen te gaan door het in te zetten als middel tot sociale beheersing. Het Openbaar Ministerie kreeg grotere bevoegdheden, straffen worden verhoogd, afdoening buiten de rechter uitgebreid, snelrecht wordt ingevoerd. Wat is nu de bijdrage van het strafrecht aan het sociaal vertrouwen in een samenleving? Die is deze dat het, neergelegd in van tevoren bekend gemaakte en nauwkeurig omschreven strafbepalingen, voor voorspelbaarheid in het gedrag van medeburgers zorgt. De strafrechtspraak zorgt voor een bevestiging van de normen, vooral waar die onduidelijk zijn. De rechter waakt over rechtvaardige procedures. Hoe hij dat doet, heeft de tv-serie ‘Kijken in de ziel van rechters’ van Coen Verbraak vorige zomer duidelijk gemaakt.

Terug naar Schuyt: wat gebeurt er nu als het vertrouwen vermindert? Eerst wordt het toezicht op professionals verscherpt; gedragsnormen worden gestandaardiseerd en gemechaniseerd. Hierdoor neemt evenwel het vertrouwen in personen verder af. De persoon verdwijnt uit het strafrecht: zowel de persoon van de dader, als van het slachtoffer, de officier of rechter, de gevangenisdirecteur en reclasseringswerker. De standaardreactie van de politiek op het neergaand sociaal vertrouwen is meer gedetailleerde regelgeving. Dat is volgens Schuyt precies de verkeerde kant uit. Andere reacties zijn een beroep op de wetenschap die crimineel gedrag al op jonge leeftijd kan voorspellen en de verbetering van de rol van het slachtoffer en de restorative justice, het in evenwicht brengen van morele waarden van daders en slachtoffers zoals in het Zuid-Afrikaanse waarheidsvindingsproces.

Aan het slot van zijn voordracht maakt Schuyt de vergelijking met de socialisatie van kinderen als nieuwkomers op deze wereld. Basic trust in het strafrecht lijkt veel op het verwerven van basic trust in de primaire socialisatie van mensen in hun eerste levensfase: ‘ondanks de teleurstellende ontdekking door het kind van de zelfstandige en vaak tegengestelde verlangens van de opvoeder, is het door een liefhebbende reactie van die opvoeders, toch mogelijk een blijvend wederzijds vertrouwen op te bouwen’.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2016.