De vluchtelingencrisis in Europa en het Midden-Oosten is de grootste sinds de Tweede Wereldoorlog. In de aanloop tot die oorlog deden velen een poging Duitsland te verlaten. Welkom waren zij niet. Een conferentie in Evian (1938) die was bedoeld om een oplossing te vinden voor de Duits-Joodse vluchtelingen mislukte, het passagiersschip St. Louis dat in 1939 Hamburg verliet richting Cuba vol Joodse vluchtelingen deed tevergeefs Havana en Miami aan waarop het niet anders kon dan terugkeren naar Europa, en de Bermuda-conferentie die tijdens de oorlog (1943) plaatsvond met als doel het redden van Europese Joden, liep eveneens op niets uit (dit terwijl hun lot toen bekend was). Vergelijkingen met die tijd dringen zich dan ook op: Europese staten die – Duitsland uitgezonderd – slechts mondjesmaat Syrische vluchtelingen opnemen, duizenden die tevergeefs met bootjes Europa trachten te bereiken, het bouwen van muren om hen vervolgens alsnog te weren, uiterst moeizame onderhandelingen in de EU om tot (zeer bescheiden) oplossingen te komen… en dit in weerwil van het feit dat we, anders dan toen, en ingegeven door toen, de 1951 Conventie inzake de Status van Vluchtelingen hebben.

Ik besloot om een reis naar New York voor de faculteit aan te grijpen om professor Menachem Rosensaft daarover te bevragen. Professor Rosensaft, in 1948 geboren in een displaced persons-kamp in Bergen-Belsen, onderwijst the Law of Genocide in de law schools van Columbia en Cornell en is general counsel van het World Jewish Congress. We spreken af in zijn kantoor in Manhattans upper East Side.

De eerste vraag is of Menachem parallellen ziet tussen toen en nu. Het antwoordt luidt bevestigend voor de pre-1939 en post-1945 periode. Een parallel is die van etniciteit: in 1939 werden Duitse Joden in Engeland geïnterneerd als vijandelijke onderdanen, de Syrische vluchtelingen worden argwanend bekeken omdat ze Arabisch en moslim zijn, en wellicht radicale jihadisten meebrengen. Toen en nu, tegenzin van de internationale gemeenschap om grote aantallen vluchtelingen op te nemen, waarbij Menachem opmerkt dat het besluit om tot vernietiging over te gaan in 1941 grotendeels werd genomen omdat de nazi’s er tegen die tijd van overtuigd waren dat de internationale gemeenschap niet bereid was de Duitse Joden op te nemen.

Wat vindt Menachem van de Europese respons? Lof voor kanselier Merkel, allereerst. Daarnaast, ik laat het onvertaald: ‘We are now witnessing in Europe, a xenophobic and highly disturbing nostalgia for fascism of a kind I haven’t seen in my lifetime’. En de Amerikaanse respons? ‘De VS zal 10.000 Syriërs opnemen, beter dan 0, maar zal waarschijnlijk overigens niet het voortouw nemen’. Heeft de wereld geleerd van de geschiedenis in dit opzicht? ‘Niet echt, we zijn zeer slecht geweest in preventie van genocide, en wat betreft vluchtelingen, we hebben de 1951 Conventie, maar als het erop aankomt, hebben we niet veel gedaan. En steeds dezelfde argumenten over absorptie van vluchtelingen, eenieder wijst instinctmatig naar een ander die het maar moet oplossen. Er heerst een grote aversie om iets significants te doen’: ‘Voor vrijwel ieder ander dan Merkel prevaleert de wens opnieuw gekozen te worden; als de stemming anti-immigratie is, zullen politici zich daaraan conformeren’.

‘Als jurist ben je geneigd te denken dat precedenten leiden tot veranderingen. De gemiddelde Europeaan is niet erg veranderd, nog steeds introvert en gericht op het ongewijzigd kunnen voortzetten van zijn eigen bestaan. De Arabische staten zijn wellicht niet in de positie om de vluchtelingen fysiek op te nemen, maar sommige wel om de financiële lasten van de vluchtelingencrisis te verlichten. Dat zou het probleem deels oplossen’. Menachem stelt voor een internationale conferentie te beleggen om de internationale vluchtelingencrisis te financieren: ‘without coming to a solution: just financing it to ensure a safety-net for the refugees’.

Een pragmatische oplossing in een tijd waarin de aanleiding van de 1951 Conventie lijkt te zijn vergeten en politieke moed en bereidwilligheid ontbreken.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2016.