Column Vanessa Mak.

Als er een ‘woord van het jaar’ moet komen – ik loop vast vooruit op de vele decemberlijstjes die ongetwijfeld gaan komen – zou ‘digitalisering’ een goede zijn voor juristen. De rechtspraak zal bijvoorbeeld in de toekomst processtukken in civiele zaken en in het bestuursrecht via digitale weg ontvangen (zie Wetsvoorstel Vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, Kamerstukken II 2014/15, 34059). Universiteiten zijn er steeds meer op gericht om onderwijs via digitale media aan te bieden, bijvoorbeeld in zogeheten Massive Open Online Courses (Moocs), maar ook door het iets eenvoudiger opnemen van hoorcolleges. Dat levert een interessante vraag op. Hoe kunnen universiteiten optimaal gebruik maken van digitalisering in het onderwijs?

Zelf heb ik in het najaar van 2014, toen ik in New York verbleef, al op bescheiden wijze gebruik gemaakt van die mogelijkheden. Een van de vakken die ik geef in de Tilburgse bachelor Global Law, heb ik een aantal weken gegeven door middel van een videoconferencing-verbinding tussen NYU Law School en Tilburg. Dat maakte het mogelijk om door te kunnen gaan met het geven van onderwijs ook tijdens (tijdelijke) afwezigheid van de docent. Een luxe natuurlijk, maar ook een geruststelling om te zien dat onderwijs vanaf afstand soms kan werken ter vervanging van een ‘echte’ collegezaal.

Een meer structurele manier om digitalisering in het onderwijs in te zetten is door het creëren van een ‘digital classroom’, waarin niet alleen studenten van de eigen universiteit deelnemen maar ook studenten van buitenlandse universiteiten. Tilburg heeft een pilot op dat gebied voor het vak Transnational Litigation in de bachelor Global Law, dat wordt gegeven door Ianika Tzankova (Tilburg), Deborah Hensler (Stanford) en Jasminka Kalajdzic (Windsor, Canada). Dit type onderwijs vereist iets meer afstemming tussen de docenten, maar de eerste reacties zijn positief. Wat meehelpt, is dat sinds dit jaar een collegezaal beschikbaar is die speciaal is ingericht om via digitale weg met universiteiten elders te communiceren (zie www.youtube.com/watch?v=qGNYQFqgNxc voor een korte introductievideo).

Ook veel andere universiteiten in Nederland maken gebruik van digitale middelen in het onderwijs. Een interessante observatie is dat het opnemen van hoorcolleges daadwerkelijk iets lijkt toe te voegen aan bestaand onderwijs. Universiteiten die webcolleges aanbieden, geven aan dat dit aanbod door studenten als extra service wordt gezien bij de studie (bijv. http://icto.uva.nl/video/webcolleges/webcolleges.html). Studenten gebruiken de colleges om na afloop thuis nog eens terug te kijken, aantekeningen aan te passen en moeilijke delen herhaald af te spelen. Ze blijven dus niet en masse weg uit de collegezaal om in plaats daarvan thuis te kijken – de docent kan opgelucht ademhalen. Daarnaast, en dat zal studenten aanspreken, blijkt uit diverse onderzoeken dat slagingspercentages door een dergelijk gebruik van webcolleges aanzienlijk omhoog kunnen gaan (zie http://uvtapp.uvt.nl/fsw/spits.npc.ShowPressReleaseCM?v_id=1122094363488158).

Voor docenten ligt hier dan wel weer een nieuwe uitdaging. Online is de aandachtsboog een stuk korter dan in real life, zo lijkt het. Filmpjes en Twitterberichten zijn compact en snel verteerbaar. De vraag is of, en hoe, een hoorcollege – dat eigenlijk beide per definitie niet is – kan worden gegeven op een manier die via het web goed werkt. Wellicht is het een idee om een aantal korte(re) thema’s te behandelen met een duidelijk begin en einde. Het model zou bijvoorbeeld kunnen zijn zoals bij de Universiteit van Nederland (www.universiteitvannederland.nl). Hoogleraren geven daar vijf colleges op hun vakgebied, ieder met een lengte van een kwartier. Een andere manier is om in het college een soort van interactie in te bouwen. Dat zou kunnen door op een aangegeven moment studenten te verzoeken even de video stil te zetten en een opdracht uit te voeren, alvorens verder te kijken voor de modeluitwerking.

Er is nog veel te ontdekken op het gebied van digitalisering en onderwijs. Daarmee is overigens niet gezegd dat het einde van ‘gewone’ werk- en hoorcolleges nabij is. Die zijn te belangrijk voor de academische vorming, en ook te leuk om te missen.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2015.