Column Ewoud Hondius.

Het liep in Rusland tegen het einde van het communistische tijdperk. We hadden op dat moment op mijn instituut een Amerikaanse gastdocent. Zodra hij het nieuws uit het oosten vernam, vertrok hij spoorslags naar Moskou om daar de zegeningen van het jurystelsel te prediken. ‘American law is the best there is’, waren zijn gevleugelde woorden en het jurystelsel was een van de zegeningen daarvan. Fransen menen dat niets boven hun Code Napoléon gaat; Duitsers weten wel zeker dat hun Professorenrecht het meest verfijnde civiele recht ter wereld is. En wij Nederlanders? Zeker, we hebben onze waterschappen – en het poldermodel – waar we terecht trots op zijn. Maar verder? Ons burgerlijk recht is grotendeels uit het Frans en Duits vertaald. Nu het voorstel-Halsema nog ergens in het parlement hangt en daar van de VVD mag blijven hangen, zijn wij een van de weinige landen ter wereld waar de wet niet aan de Grondwet mag worden getoetst. Sterker, er zijn rechtsgebieden waar Nederland nog meer achter loopt. Zo’n gebied is het schadevergoedingsrecht.

Een jaar of vijfentwintig geleden had mijn instituut in opdracht van de Consumentenbond een rechts­vergelijkend onderzoek gedaan naar de hoogte van het smartengeld in Europa (Molengraaff Institute for Private Law, A survey of the settlements concerning the compensation for immaterial damage in the EC, Utrecht 1990, 44 p.). Daar kwam Nederland bedroevend slecht uit de bus. Het hoogste bedrag dat in ons land werd uitgekeerd was met € 109.000 nog niet de helft van wat in Duitsland, Spanje, Ierland, Italië en het Verenigd Koninkrijk werd toegekend. Wat vervolgens gebeurde, vervulde mijn instituut wel met enige trots. Het Gerechtshof Amsterdam gebruikte ons onderzoek als argument om een slachtoffer een flink wat hogere schadevergoeding toe te kennen dan tot dan toe gebruikelijk was. Volgens het hof lag het voor de hand ‘om ook ten aanzien van de omvang “van de vergoeding voor ideële schade” acht te slaan op “hetgeen thans volgens wet of rechtspraak in de naburige landen geldt”.’ Het hof wees daartoe op het onderzoek van het Molengraaff Instituut. De aansprakelijke partij liet het daarbij niet zitten en tekende cassatie aan. Die werd afgewezen, maar het was kantje boord. De Hoge Raad had er geen bezwaar tegen dat het hof zich van een rechtsvergelijkende argumentatie voorzag, op voorwaarde dat dit niet de enige redengeving zou zijn:

‘Het ligt in de rede dat de rechter bij zijn begroting let op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekend bedragen. Geen rechtsregel belet de rechter mede acht te slaan op de ontwikkelingen in andere landen betrekking tot de toegekende bedragen, zij het dat deze ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen [mijn cursivering, EH]’ (NJ 1992/714).

Sindsdien is het eigenlijk niet verbeterd. Nog altijd bungelt Nederland met zijn schadevergoedingen, materieel en immaterieel, in de middenmoot of onderaan. Zelfs de kritische woorden van Siewert Lindenbergh, in diverse publicaties geuit, helpen niet. Affectieschade wordt nog altijd niet vergoed. Daar lijkt nu wel enig schot in te zitten, maar zoals bij het vorige voorstel bleek, was dat buiten de tegenstem van de VVD (Ankie Broekers-Knol) gerekend. Nederlanders, let op uw saeck. Straks moet het Europese Hof voor de Rechten van de Mens er nog aan te pas komen om ons de les te lezen. Geen zaak om trots op te zijn.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2015.