Column Ewoud Hondius.

59824564Het is ruim een eeuw geleden dat de theosoof Rudolf Steiner een geheel eigen richting, de antroposofie, stichtte. Mensen kwamen van over de hele wereld om naar hem te luisteren. Dat was ook het geval toen hij in 1911 voor het geven van een aantal voordrachten in Praag was neergestreken. Niet iedereen was even gecharmeerd van Steiner. Dat gold in het bijzonder voor Albert Einstein, die in 1911 een leerstoel aan de Duitse Universiteit van Praag had aanvaard (‘was hat der Mann da neulich für einen Kohl geredet’, was Einsteins commentaar op Steiner). Een van de studenten aan de Duitse universiteit was Franz Kafka, die er rechten studeerde en zou promoveren bij Alfred Weber, een broer van Max Weber. Een andere docent van Kafka was de criminoloog Hans Gross. Ik ontleen deze gegevens aan de prachtige Kafka-biografie van Reiner Stach (Kafka/Die frühen Jahre, Frankfurt: Fischer 2014). Waarom verdient deze Gross onze aandacht? Gross benadrukte in zijn onderwijs

‘dass sich Richter und Staatsanwälte nicht nur mit der juristischen Ein- und Zuordnung einer kriminellen Tat, sondern ebenso mit der Persönlichkeit des Täters – und von Tätern im Allgemeinen – beschäftigen sollten’. Daartoe moest ‘nicht das Gesetz allein (…) Gegenstand der Lehre sein, sondern das Leben selbst.’

Daaraan gaf Gross uitvoering in het door hem geredigeerde Archiv für Kriminal-Anthropologie und Kriminalistik, dat bijdragen bevatte over ‘Haarfarben, Kartenlegen, gefälschten Sparbüchern, gewohnheitsmäßigem Lügen, Tätowierungen, Hysterie, Gedächtnislücken, Körpermaßen, Briefmarken, Glasscherben, Polizeihunden und Röntgenstrahlen’. Het is alsof we het programma van een moderne studie criminologie lezen, maar dan van een eeuw terug.

Ik had deze omweg nodig om bij mijn eigenlijke stelling van de maand te komen. Dat is deze: dat veel van wat als modern wordt gepresenteerd in feite al een eeuw – of zelfs eeuwen – geleden bekend was. Vooral de Amerikanen hebben er een handje van om de wereld te doen geloven dat iets een Amerikaanse uitvinding is. Mediation is zoiets, law & economics, critical legal studies en verder de meeste bijzondere overeenkomsten die op -ing eindigen. Om op het voorbeeld van mediation terug te komen: de Fransen deden er al in de tijd van Napoleon aan, maar de Amerikanen menen dat zij de uitvinders zijn en daarom ook het alleenrecht hebben op het organiseren van peperdure cursussen om het mediëren onder de knie te krijgen. Nu is hun dat niet helemaal euvel te duiden, want zij weten veelal niet anders. Wij klagen wel eens over het (gebrek aan) onderwijs in vreemde talen – zelfs in columns in dit blad hoort men deze klacht – maar dat het erger kan blijkt uit de VS. Juist dankzij die kennis van vreemde talen is het voor Nederlandse studenten nog mogelijk kennis te nemen van de schat aan juridische voorbeelden uit het verleden en niet alleen uit eigen land. Die is ook in het recente verleden te vinden. Zo ver als het dispuut van mijn Leuvense collega Matthias Storme in Yale – ‘let’s go back to Aristotle, nothing’s happened in A.D.’ (TPR 2014, p. 585) – zou ik dan ook niet willen gaan.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2015.