Column Ewoud Hondius.

Het is alweer een tijdje terug. Ik had een flinke onderwijslast, vond ik althans zelf. Zesentwintig uur per week. Nu waren dat niet allemaal massale hoorcolleges in de Leidse Gorlaeus – of later de Utrechtse Uithof. Ook kleinere groepen – andere faculteiten vinden onze aanduiding van groepen met vijftig of minder deelnemers als ‘klein’ vaak grappig – waren mijn deel. Maar toch: ik vond het best wel wat. Niet zo mijn broer, een hardwerkend zakenman. ‘Wat doe je dan de rest van de tijd?’, was zijn vraag. Ik vond dat indertijd een onzinnige vraag (dat heb je tussen broers wel vaker), maar naderhand heb ik er wel eens over nagedacht. Kennelijk was de redenering: mijn broer (ik dus) staat 26 uur per week voor de klas en heeft dus 14 uur niets om handen. Ook studenten zullen wel eens denken: wat doet zo’n docent eigenlijk de hele dag. Daarom hier – een begin van – een antwoord.

Allereerst is onderwijs geven niet het enige wat docenten doen. Vaak hebben ze ook een onderzoekstaak. En zelfs als ze die niet hebben, is het zaak om je literatuur en rechtspraak bij te houden. Anders loop je in deze tijd van snelle veranderingen meteen achter, want wat er uit Luxemburg en Straatsburg op ons afkomt, heb je indertijd in je eigen studie niet geleerd. Daarnaast wordt van docenten verwacht dat ze iets aan bestuur en maatschappelijke dienstverlening doen. Maar toegegeven: het doceren vergt van ons toch de meeste tijd. Men moet zich echter niet voorstellen dat het voor de klas staan de enige onderwijsactiviteit is. Het begint al met het op het programma krijgen van het vak dat men wil geven. Dat is soms voorgebakken (voor het op het lesprogramma krijgen van het vak burgerlijk recht heb ik nooit veel moeite hoeven te doen), maar vaak ook niet. Dan moet eerst een plaats in het curriculum worden bevochten. Daarbij moet een equipe docenten worden samengesteld, informatie aan studenten worden verstrekt, een time slot voor het onderwijs en de examens worden aangevraagd. Het onderwijs zelf vergt de voorbereiding van studiematerialen, die gewoonlijk enige maanden voor de aanvang van het onderwijs bij de reproductieafdeling moeten worden aangeleverd.

Als dat onderwijs daadwerkelijk aanvangt, moet de stof uiteraard worden voorbereid; powerpointpresentaties – of in het geval van een enkele zeer ouderwetse docent: transparanten  moeten worden vervaardigd. Voorafgaand aan het college dient zo mogelijk een sleutel van het onderwijspand te worden bemachtigd en de aanwezigheid van beeld- en geluidsapparatuur moet worden gecontroleerd. Presenties moeten worden opgenomen. En altijd moet men voorbereid zijn op eventualiteiten: ‘O, ik dacht dat jullie deze week herfstvakantie zouden hebben en nu vindt er een congres plaats’ (aldus de receptionist toen ik mij met 700 studenten bij een grote onderwijsruimte meldde), of: ‘Hé, de vorige docent zei ook al dat de microfoon het niet deed’. Dan zijn er de examens om na te zien – meestal niet het meest geliefde onderdeel van het onderwijsbestaan. De cijfers moeten in de examenadministratie terechtkomen, bij voorkeur meteen goed. Studenten hebben recht op inzage (lees: een poging om er een puntje bij te verdienen). Ten slotte zijn er de aanbevelingen. Zelf pleeg ik studenten in mijn ‘kleine’ groepen aan te bieden voor hen desgewenst een aanbevelingsbrief te fourneren voor als zij gaan solliciteren of een vervolgstudie ambiëren. Uit het frequente gebruik dat van dit aanbod wordt gemaakt, leid ik af dat hier zeker vraag naar is.

Nu wordt onderwijs niet het hele jaar door gegeven. Af en toe is er een periode die met ‘vakantie’ wordt aangeduid. Die vakantie geldt dan voor de studenten, want van hun docenten wordt verwacht dat zij onder de kerstboom 300 tentamens corrigeren. Nu zal men – inclusief mijn broer – mij niet horen klagen, want onderwijs geven is een prachtig beroep. Maar om het een ‘fluitje van een yen’ te noemen, zoals mijn collega strafrecht het ooit formuleerde, gaat iets te ver.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2015.