Column Vanessa Mak.

Wie over Europa begint na de roerige zomer van 2015 zal vooral terugdenken aan het politieke steekspel waarin de eurolanden zich verwikkeld zagen. Niettemin is de EU meer dan een Griekse tragedie – in ieder geval voor nu nog – en is er voor juristen ook nog weleens iets moois te genieten. Zo kreeg het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden net voor de zomer een cadeautje van het Europese Hof van Justitie: een antwoord op de door het gerechtshof gestelde prejudiciële vragen in de zaak Froukje Faber(HvJ EU 4 juni 2015, zaak C-497/13, ECLI:EU:C:2015:357).

De feiten die aanleiding gaven tot de rechtszaak spreken tot de verbeelding. Mevrouw Faber koopt op 27 mei 2008 een Landrover van autobedrijf Hazet te Ochten voor een bedrag net boven de € 7.000. Niet veel later, op 26 september 2008, is Faber met haar dochter op weg naar een zakelijke afspraak als de auto op de A16 in brand vliegt. Zij parkeert op de vluchtstrook en beiden kunnen tijdig uitstappen, maar de auto brandt geheel uit. Kan zij de schade – de koopprijs van de auto plus een aantal verloren gegane bezittingen – op de verkoper verhalen?

De juridische angel in de zaak zit in de timing van de klacht van Faber over de non-conformiteit van de auto – zij stelde autobedrijf Hazet aansprakelijk, maar deed dat pas op 11 mei 2009 – en de verdeling van de bewijslast. Op grond van artikel 7:17 jo. 6:74 BW heeft een koper recht op schadevergoeding indien een zaak niet conform de overeenkomst blijkt te zijn. Voorwaarde voor een succesvol beroep op die regeling is echter dat de koper binnen bekwame tijd een kennisgeving aan de verkoper geeft dat de zaak niet aan de overeenkomst voldoet (art. 7:23 BW). De verkoper betwistte dat mevrouw Faber aan die verplichting had voldaan. Hij wordt daarin gevolgd door de rechter in eerste aanleg die de claim van Faber afwijst.

In hoger beroep wordt het interessant. De rechter merkte op dat Faber de auto als consument zou kunnen hebben gekocht – anders dan zakelijk – en in dat geval zou zij weleens profijt kunnen hebben van een omgekeerde bewijslast die ter bescherming van consumenten is opgenomen in het BW. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW geldt dat indien een tekortkoming in de zaak zich openbaart binnen zes maanden na aflevering, het vermoeden bestaat dat de non-conformiteit reeds op het moment van aflevering bestond. De verkoper kan tegenbewijs trachten te leveren, maar dat is uiteraard lastig in gevallen waar, zoals hier, de auto meteen na de brand naar de sloop is gebracht. Wel geldt ook voor consumenten een klachtplicht: kennisgeving binnen twee maanden nadat het gebrek zich openbaart.

Hiermee zitten we ineens in het Europese recht, aangezien de regeling voor consumentenkoop gebaseerd is op Europese regelgeving (Richtlijn 1999/44/EG betreffende consumentenkoop). In lijn met eerdere rechtspraak geeft het HvJ EU een zeer consumentvriendelijke uitleg aan EU-regelgeving op dit gebied. Het Hof oordeelt dat de rechter ambtshalve moet toetsen of de koper als ‘consument’ kwalificeert. Voorts wordt de klachtplicht voor de consument licht ingevuld: het is voldoende om binnen twee maanden na aflevering aan de verkoper te laten weten dat een gebrek aan overeenstemming bestond, de oorzaak of de invloed van het gebrek op de zaak hoeven niet te worden aangegeven. De regels ziende op de omkering van de bewijslast moeten volgens het Hof ook ambtshalve worden toegepast. Hoewel de consument om van deze omkering gebruik te maken, verplicht is te bewijzen dat het gebrek bestond en dat het zich binnen zes maanden na aflevering van de zaak heeft gemanifesteerd, blijft het bij deze lichte vereisten. Daarmee geeft het Hof een mooie bevestiging aan de door de EU-wetgever beoogde consumentenbescherming. Het laatste woord in deze zaak zal zijn voor de rechters in Arnhem, maar voor consumenten meer in het algemeen lijkt dit brandje vast geblust.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi september 2015.