Column Ewoud Hondius.

Professoren vormen niet het meest ruziënde deel van onze natie. Het elkander belagen met handtasjes associeert men eerder met Europarlementariërs en zelfs daar lijkt dit een uitstervende gewoonte. Maar ze zijn – althans waren – er wel: de Grote Ruzies. Conflicten die bij alle collega’s – vaak niet bij de studenten – bekend zijn. In deze column wil ik enkele Oude Ruzies oprakelen. Het belang? Soms verbaast men zich over de knullige aanleiding tot de ruzie. Niet steeds gaat het om een doctrinair geschil zoals bij Sabinianen en Proculianen.

De meest bekende ruzie onder professoren heeft zich afgespeeld in Groningen. Wie Onder professoren heeft gelezen, zal zich ongetwijfeld de vijandschap herinneren tussen prof. Roef Dingelam, winnaar van de Nobelprijs voor scheikunde, en de directeur van het scheikundig laboratorium, prof.drs. Knillis Tamstra. Het had allemaal niets met wetenschappelijk verschil van inzicht van doen, maar uitsluitend met jaloezie. Echt gebeurd? Nee, maar volgens kenners daar wel sterk op gelijkend.

Onder juristen was indertijd in mijn faculteit, de Leidse, de onvrede tussen de docenten handelsrecht Dolf van Oven (1911) en Paul Wery (1914-2005) een levensfeit. Waar de ruzie vandaan kwam, was niemand van mijn generatie bekend. Maar om een idee te geven: toen Wery zijn inaugurele rede uitsprak, was Van Oven – zoals het de hoogleraar van de sectie betaamde – normaal aanwezig. Bij de daaraanvolgende receptie daarentegen schitterde hij door afwezigheid. Rotterdam leek gedurende een bepaald tijdvak wel uitsluitend van ruzies samen te hangen. Zonderland sprak in het Nederlands Juristenblad van zijn ‘ambtgenoot’ Van Dunné. Jack ter Heide kon er ook wat van.

Nu moet worden toegegeven dat hoogleraren die bij ruzies waren betrokken vaak wel kleurrijke docenten waren. Op het internet herinnert Peter van Beuningen zich:

‘Het eerste hoorcollege privaatrecht dat ik volgde aan de Erasmus Universiteit werd begin jaren tachtig van de vorige eeuw gegeven door een kleurrijk man, professor Jack ter Heide. Hij besteeg het trapje naar het podium, ging achter de spreekstoel staan en tekende zonder iets te zeggen een langgerekt ovaal op de overheadprojector. Hij vroeg de zaal; “wat is dit?” Geen antwoord. “Een langgerekt ovaal”, zei hij, en tekende verder.’

In Utrecht was het O.A.C. Verpaalen die met iedereen ruzie maakte. Toen hij op een gegeven moment in staking ging, was ik het die als stakingsbreker optrad. Voor de tijdstippen waarop hij college burgerlijk procesrecht had moeten geven, nodigde ik diverse collega’s uit den lande uit. Daarover door mij geïnformeerd dat zij daarmee wel de toorn van Verpaalen op zich zouden laden, was hun antwoord steevast: ‘Da’s mooi, want met hem hebben we nog een appeltje te schillen.’ Het waren in Utrecht niet alleen ruzies tussen individuele docenten, hele instituten verkeerden met elkaar in oorlog. Dat waren ooit het Molengraaff Instituut (gewoon rood) en het Pompe Instituut (extra rood). Juist toen ik mijn opwachting in Utrecht maakte, was er een gewapende vrede getekend, die hierin bestond dat verschillende instituten samen onderwijs gingen geven: de zogenoemde integratievakken. Achtergrond daarvan was dus niet een didactisch concept, maar de lieve vrede tussen collega’s.

Maastricht heeft lang van doen gehad met een Einzelgänger, maar daarvan ken ik alleen één kant van het geschil, dus dat bewaar ik voor later.

Ruziënde professoren zijn geen prerogatief van ons Nederlanders. Elders heb ik wel eens gewag gemaakt van het knetterende conflict, uitgevochten in de Juristen-Zeitung, tussen Claus-Wilhelm Canaris (München) met Bernd Rüthers (Konstanz). Canaris is een leerling van Karl Larenz, die niet van nazi-smetten vrij was (maar wie was dat in die tijd wel?). Canaris heeft daar zeer genuanceerd over geschreven. Rüthers heeft met zijn Unbegrenzte Auslegung het demasqué van de oude nazi-professoren ingeleid en woedend op Canaris gereageerd. En aan Harvard was de sfeer een tijdlang vergiftigd door de strijd rond critical legal studies. Twee kandidaten voor een leerstoel werden geweigerd, naar hun aanhangers stelden op politieke gronden. Tegenstanders hadden gesteld dat iemand die niet gelooft in het bestaan van recht in de conventionele betekenis ook niet het doceren daarvan kan worden toevertrouwd.

Maar ach, om met Herman Schoordijk te spreken, waarom zouden we het onnodig met elkaar eens zijn?

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi juni 2015.