Column Ewoud Hondius.

Hoe moet het onderwijs van de toekomst eruitzien? Op welke wijze houden onze afgestudeerden kans op een baan aan de Zuidas? Hoe waarborgen advocatenkantoren het peil van hun juridische dienstverlening? Het waren deze vragen die centraal stonden op een discussieavond op 21 januari jl. georganiseerd door het Leidsch Juridisch Genootschap en de Leidse juridische faculteit. Twee sprekers leidden het thema in: mr. Martijn Snoep, bestuursvoorzitter van De Brauw, en Mark Wissink, A-G bij de Hoge Raad en hoogleraar te Groningen. Snoep merkte op dat hij gestudeerd heeft in Rotterdam en nog altijd gebaat is bij de gedegen opleiding in economie en sociale wetenschappen die hij daar kreeg. Wellicht in aansluiting hierop pleitte hij voor meer hulpwetenschappen in de juridische opleiding. Het positieve recht mag dan best wat minder. Eerder hadden vijf bestuursvoorzitters van grote advocatenkantoren hiertoe reeds een oproep gedaan. Herman Schoordijk had het in dit blad al voorspeld: ‘[managing partners] zijn dikwijls niet de beste juristen, daarom worden ze managing partner. Gooi er sociologie tegenaan, gooi er economie tegenaan, zo betogen zij. Terwijl iedereen weet dat het in de rechtspraktijk draait om waardeoordelen. Daar houden sociologen en economen zich niet mee bezig.’ (AA 2014, p. 69, AA20150068).

Op een geheel andere toer sprak Mark Wissink. Die hield een pleidooi voor meer positief recht. Het recht is nu eenmaal ingewikkelder geworden, zoals de Europese rechtspraak inzake oneerlijke bedingen en het vervagend onderscheid tussen privaat- en publiekrecht bewijzen. En dat vergt meer studie.

In de discussie ging het om de vraag óf/óf: moeten er meer hulpwetenschappen in het curriculum worden opgenomen of moet de kennis van het positieve recht verder worden opgevijzeld? De stemming leek verdeeld met mogelijk een lichte meerderheid voor de visie van Wissink. Mijns inziens is er nog een derde oplossing denkbaar en die luidt én/én. De huidige rechtenstudie kan er best nog wat uren bij gebruiken. Die kunnen worden benut om zowel de kennis van positief recht als die van hulpwetenschappen te vergroten. Waar we die uren vandaan halen? Heel simpel: uit de vrije tijd van de student. Ik citeer een bericht van de Radboud Universiteit van tien jaar terug (en zoveel zal er sindsdien niet zijn veranderd) onder de titel Druk, drukker, drukst: studiebelasting bij de faculteiten: ‘Wie “ontspannen” wil studeren kan het best terecht bij de faculteiten Rechten, Sociale Wetenschappen en Letteren, zo blijkt uit de resultaten. Hier besteedt 60 procent minder dan 25 uur per week aan zijn of haar studie. De studenten hebben over het algemeen weinig colleges en werkgroepen (zelden meer dan 20 uur per week) en ruim de helft van de studenten besteedt daarnaast minder dan 10 uur per week aan zelfstudie’.

Vrije tijd te over? Nu ja, studenten moeten tegenwoordig wel schappen vullen of op terrassen bedienen om een torenhoge studieschuld te vermijden. En dat is ook goed voor hun persoonlijke ontwikkeling. Maar die 25 uur of minder per week die momenteel aan de studie worden besteed kunnen best met een uur of tien worden uitgebreid – zie maar hoeveel tijd een wiskundestudent of een in de geneeskunde aan zijn of haar studie besteedt. Ik citeer nog eenmaal het Nijmeegse rapport: ‘Doe je een bèta-studie dan moet je rekenen op een fulltime tijdsbesteding. Van de bèta’s is 55 procent meer dan 35 uur bezig met studeren’. En: ‘Gemiddeld studeert bijna 40 procent van de studenten aan de medische faculteit meer dan 35 uur’.

Natuurlijk kost uitbreiding van de onderwijsbelasting ook de faculteiten de nodige inspanning. Maar in deze tijd vanmassive open online courses – MOOCs noemt Carel Stolker ze in zijn Rethinking the law school, Cambridge: University Press 2014, p. 174-176 – moet het mogelijk zijn de beschikbare docentkracht efficiënter in te zetten.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi mei 2015.