Column Ewoud Hondius.

Een van die tijdloze verschijnselen die juristen regelmatig voor problemen plaatsen is dat van tijd en recht. De niet zo lang geleden overleden Schotse Romanist Lord Rodger of Earlsferry schreef ooit ‘extrajudicially’: ‘For the most part, when you are simply applying the law in a routine fashion, you scarcely think of matters of time. But when something draws the question to your attention, all of a sudden you see the issue everywhere you look’ (Andrew Burrows, David Johnston & Reinhard Zimmermann (red.), Judge and jurist. Essays in memory of Lord Rodger of Earlsferry, Oxford: University Press 2013, p. 543).

Wetgeving werkt gewoonlijk niet met terugwerkende kracht. Het is echter niet helemaal uitgesloten. Zo bepaalde de wetgever ooit dat de erfrechtelijke gelijkstelling van buitenechtelijke en echtelijke kinderen met terugwerkende kracht tot 13 juni 1979 in werking trad. Die dag was niet zomaar gekozen: het was toen dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in het Marckx-arrest (nr. 6833/74) deze gelijkstelling verordonneerde. Eigenlijk ging het dus veeleer om codificatie van reeds door de rechter gewijzigd recht dan om wetswijziging pur sang. Normaal gesproken is de wetgever niet zo van terugwerkende kracht gecharmeerd. Met name reflectiekamers, zoals onze Eerste Kamer, hebben er een broertje dood aan. Maar in de rechtspraak is dat anders. En dat moet ook wel: Andrew Burrows (Oxford) schrijft over ‘Common law retrospectivity’ naar aanleiding van de hierboven geciteerde woorden van Rodger:

Provided judicial law reform is effected, in its traditional way, by the incremental articulation and application of principle – rather than by leaping forward in response to the policies of the day – retrospective development of the common law is not merely acceptable but essential’ (Burrows, Johnston & Zimmermann 2013, p. 543-558).

Een mooi boek over dit onderwerp is geschreven door Ben Juratowich, Retroactivity and the common law, Oxford: Hart Publishing 2008, 270 p. In ons land komt het thema vooral ook aan bod in het belastingrecht, zoals naar voren komt in de bijdrage van Hans Gribnau en Allard Lubbers in de bundel van Patricia Popelier et al. (red.), The effects of judicial decisions in time, Cambridge: Intersentia 2014, 285 p. Dat het onderwerp geen modeverschijnsel is blijkt uit het opstel ‘Retroactivity reconsidered’, dat Tim Koopmans 35 jaar geleden publiceerde in de Cambridge Law Journal 1980, p. 287-303.

Waarom ik het thema hier aan de orde stel? Niet om het even van een allesomvattende theorie te voorzien (dat bewaar ik voor een latere column), maar – als inspiratie voor een werkstuk of scriptie – ter attendering. Daarom drie recente – qua thematiek zeer uiteenlopende – publicaties tot slot. Marie Cresp verdedigde in 2010 te Bordeaux een interessante dissertatie over Le temps juridique. Essai d’une théorie générale (Presses universitaires Aix-Marseille 2013, 452 p.), Trix van Erp-Jacobs wijdde op 12 september 2014 haar Tilburgse afscheidsrede aan ‘Een kwestie van tijd’ (2014, 36 p.). En Eva Steiner bracht in juli 2014 aan de Académie international de droit comparé een rapport général uit over ‘Judicial rulings with prospective effect’, dat binnenkort bij Springer zal worden gepubliceerd in een congresboek.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi februari 2015.