Column Ewoud Hondius.

Ons land kent het geheim van raadkamer. Pas vijftig jaar na dato geeft het Nationaal Archief (het vroegere Rijksarchief) inzage in de stukken die op de deliberaties in (cassatie)zaken zien. Zoals in het arrest Lindenbaum/Cohen van 31 januari 1919 (NJ 1919/161) – Gerrit van Maanen maakte er nuttig gebruik van (zie ook Erik Ketelaar in: Kabaal in Holland/Asscher-bundel, Arnhem: Gouda Quint 1993, p. 15-23).

Is er wellicht een snellere methode om te achterhalen wat in raadkamer gebeurde? Ik denk daarbij aan een werkwijze die in de Verenigde Staten een enkele maal vruchten heeft afgeworpen. Daar hebben de law clerks die voor een jaar of langer zijn aangesteld bij een van de negen raadsheren in het US Supreme Court wel eens uit de school geklapt. In hun beroemde The brethren (New York: Simon & Schuster, 1979) schrijven Bob Woodward en Scott Armstrong:

‘It has been customary for Law Clerks to discuss with one another the most intimate of matters relating to their Justices with the understanding that none of what is said shall go beyond the four walls of the Dining Room’ (p. 35).

Zo dadelijk zal duidelijk worden dat die muren wel eens gaten vertonen. Zeker als een law clerk zelf een dagboek bijhoudt… en publiceert.

Maar eerst de vraag: kan dat ook bij ons? Is denkbaar dat een medewerker van het Wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad door derden om inlichtingen wordt gevraagd? Ik meen zelf dat dat onethisch en kansloos is – waarschijnlijk beide – en dus niet zal gebeuren. Maar je weet het nooit. Niet geheel uit te sluiten valt dat een medewerker zo ontzet is over de kant die een raadsheer of advocaat-generaal inslaat, dat hij à la Arthur Gotlieb zelf de pers inlicht.

Een voorbeeld waarbij dat gebeurde, is het US Supreme Court. Ik ontleen de informatie aan de bijdrage ‘Clerking for Scrooge’ van Barry Cushman in 70 University of Chicago Law Review 721-749 (2003). Van 1936-1937 werkte John Knox als law clerk voor US Supreme Court Associate Justice James Clark McReynolds. Knox hield, net als sommige klokkenluiders nu, een dagboek bij, dat enkele jaren terug – met een vertraging van 66 jaar, dus niet écht sneller – het licht heeft gezien. Het gebeurt wel vaker dat law clerks herinneringen aan ‘hun’ Justice publiceren. Vaak, zoals in het geval van Brandeis, Cardozo en Holmes, zijn die (zeer) positief van toon. Bij Knox ligt dat anders. Over McReynolds schrijft hij:

‘I appreciated his anti-New Deal view and agreed with it, but that was the only thing I could possibly agree with him on. He was selfish to an extreme, vindictive, almost sadistically inclined at times, inconceivably narrow, temperamental, and heaven knows what. All of his employees lived in a reign of terror and were crushed under foot without any hesitation on his part’ (p. 723).

Volgens Knox verachtte McReynolds joodse (zijn collega Brandeis kwam bij hem niet over de vloer) en zwarte Amerikanen. Toen zijn zwarte huisbediende overwoog zijn kinderen naar college te sturen, suggereerde McReynolds dat een aanstelling in de vestiaire/garderobe van het Supreme Court hem meer geschikt leek. McReynolds haatte hard werken. Hij benutte de mogelijkheid om dissenting opinions uit te spreken, maar alleen met de woorden ‘I dissent’ zonder verdere redengeving. Er zijn van de verschillende raadsheren van het US Supreme Court ‘ratings’ aangelegd, waarin McReynolds steevast de laatste plaats inneemt.

Knox had het dus duidelijk niet op McReynolds begrepen. Waarom dan toch aangebleven? Law clerk is in de Verenigde Staten een hoog aangeschreven positie, die vaak een opstap is naar een hoogleraarschap of een aanstelling als rechter. Zo’n positie geef je niet zomaar op. Knox zou een dergelijke promotie overigens nooit maken. Tot zijn pensionering in 1973 hield hij zich bezig met postorderverkoop en als claimbehandelaar. En ook in de Verenigde Staten bleef zijn hartenschreeuw lang onopgemerkt.

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi januari 2015.