Boekbespreking. De staat waarin de Nederlandse rechtsstaat verkeert, is op dit moment een hot topic in de juridische en politicologische literatuur. In dit boek buigt ook Ruud Koole zich over deze kwestie. Koole, van huis uit historicus en politicoloog, heeft een lange staat van dienst in zowel de wetenschap als de politiek. Hij bekleedde jarenlang de Leidse leerstoel Politieke Wetenschap. Daarin focuste hij zich met name op institutionele ontwikkelingen in het Nederlandse staatsbestel. Daarnaast was hij onder meer PvdA-voorzitter, Eerste Kamerlid en lid van de Staatscommissie Parlementair Stelsel.

Het conceptuele uitgangspunt van dit boek is dat de democratische rechtsstaat is gebaseerd op twee pijlers. Dat vraagt om uitleg. Boeken over deze materie zijn doorgaans immers ingestoken vanuit de machtenscheidingsleer met haar drie overheidsfuncties en staatsmachten. Koole bewandelt een andere weg. Hij onderscheidt een electorale pijler, waarin politieke partijen, parlement en regering handelen op basis van een kiezersmandaat, en een niet-electorale pijler, waarin niet-gekozen overheidsinstellingen als de rechterlijke macht, centrale banken en andere autoriteiten besluiten nemen die veel mensen raken. Centraal staat de vraag of die pijlers vandaag de dag nog wel goed functioneren en of de verhouding tussen die twee pijlers nog wel in balans is. Want zijn niet-electorale instellingen inmiddels niet te machtig geworden? En wat betekent dat voor de democratische rechtsstaat?

De opbouw van het boek is als volgt. Na een korte inleiding vangt het boek aan met een historische verhandeling over ‘het volk’. Die verhandeling start bij De Toqueville, loopt via Thorbecke en de vooroorlogse verzuilde massademocratie, om uiteindelijk te eindigen bij ‘de hardwerkende Nederlander’ in een pluriforme samenleving. Dan volgen enkele hoofdstukken over de electorale pijler. Achtereenvolgens staan daarin de relatie tussen democratie en verkiezingen, de pluriformiteit van het politieke partijenbestel en de doorzettende gouvernementalisering van het overheidsbestuur centraal. In het gedeelte over de niet-electorale pijler komen vervolgens de rechterlijke macht, de bureaucratie, de Europese Unie, de centrale banken en het poldermodel ter sprake. De verschillende draden uit al deze hoofdstukken komen bijeen in een uitgebreide conclusie. Daarin laat Koole zien dat beide pijlers mettertijd ingrijpend zijn veranderd en vandaag de dag de nodige structurele gebreken vertonen. Versteviging van beide pijlers is wat hem betreft dan ook noodzakelijk.

Twee pijlers is een fraai boek over urgente materie. De lezer kan zich laven aan Kooles kennis van geschiedenis, politicologie en staatsrecht. Zijn analyses zijn scherp en vlot leesbaar. Koole daagt de lezer bovendien uit om na te denken over actuele pijnpunten in onze democratische rechtsstaat en mogelijke oplossingsrichtingen daarvoor. (RJ)

R.A. Koole
Twee pijlers. Het wankele evenwicht in de democratische rechtsstaat
Amsterdam: Prometheus 2021, 340 p., € 27,50