Boekbespreking. Dit boek is uitgebracht in de reeks The Common Core of European Private Law, die al sinds 1993 bestaat. In alle boeken in deze reeks wordt rechtsvergelijkend onderzoek gepresenteerd en staan casus (die fictief of gebaseerd op de werkelijkheid zijn) centraal. Aan de hand van die casus wordt een juridisch onderwerp geanalyseerd om zo de verschillen tussen de onderzochte landen uiteen te zetten.

In dit boek wordt ingegaan op ‘immorele overeenkomsten’. Dit gaat niet per se om overeenkomsten die strijdig zijn met bepaalde rechtsregels, maar om overeenkomsten die in strijd zijn met de openbare orde of anderszins immoreel zijn. Als voorbeelden worden onder andere gegeven een overeenkomst in afwachting van het overlijden van een derde, een overeenkomst die de aansprakelijkheid van een van de contractspartijen uitsluit zelfs in het geval van opzettelijke schending of een overeenkomst over de toekomstige erfopvolging van een van de contractspartijen.

De auteurs onderzoeken hoe het contractenrecht en de moraal zich tot elkaar verhouden: de moraal kan invloed hebben op de onderwerpen die voorwerp kunnen zijn van een afdwingbare overeenkomst.

De overkoepelende vraag die in dit boek centraal staat, is in hoeverre de gemeenschappelijke kern van het Europees recht (de Romeinsrechtelijke regels over de ongeldigheid van overeenkomsten contra bonos moros) de huidige rechtsfiguren van de verschillende nationale wetgevingen heeft beïnvloed. In deel I van het boek wordt dan ook ingegaan op de ontwikkeling van deze Romeinsrechtelijke regels vanaf de tweede eeuw tot de codificatie van Justinianus. De auteurs onderscheiden vijf modellen van rechtsfiguren die betrekking hebben op de (on)geldigheid van immorele contracten in Europa. Deze modellen zijn het ‘civil code’-model, het Schotse model, het Engelse model, het Cypriotische model en het Scandinavische model. Voor elk model wordt vervolgens aangegeven wat de Romeinsrechtelijke invloed op het huidige recht is. Geconcludeerd wordt dat het Romeins recht een gemeenschappelijke basis biedt voor vrijwel alle rechtssystemen, behalve voor Scandinavië.

Vervolgens wordt in deel II besproken wat de invloed van die gemeenschappelijke basis van het Romeins recht is op de huidige regels over immorele contracten in Europese landen. Dit gebeurt aan de hand van een vragenlijst die is ingevuld door nationale rapporteurs. Die vragenlijsten bevatten fictieve casus die gaan over situaties waarin een immoreel contract is gesloten (hoewel de casus wel zijn gebaseerd op de werkelijkheid). Casus gaan bijvoorbeeld over een contract dat telefoonseks promoot, een contract dat dwergwerpen bevordert, een contract dat de erfopvolging aanpast als de oudste zoon niet trouwt met een adellijke vrouw, of een contract dat beperkingen stelt aan de persoonlijke vrijheid. Dit deel – dat verreweg het grootste deel van het boek vormt – is een publicatie van alle verschillende vragenlijsten. Per land worden drie onderwerpen besproken, namelijk operative rules, descriptive formants en meta-legal formants.

In deel III worden rechtsvergelijkende conclusies getrokken: bestaat er een common core tussen de 28 landen die zijn onderzocht? Die core wordt geduid als substantial convergence between the 28 jurisdictions. De onderzoekers onderscheiden twee verschillende niveaus van convergentie: op het gebied van de (on)geldigheid van de overeenkomst en met betrekking tot de rechtsmiddelen die partijen ter beschikking staan. De grootste convergentie bestaat met betrekking tot de casus over het beperken van de persoonlijke vrijheid. Contracten met een dergelijke strekking zouden in 27 (van de 28) jurisdicties waarschijnlijk onaanvaardbaar zijn – alleen niet in Litouwen – en daarnaast leidt dit in de meeste landen tot een mogelijkheid om het contract aan te vechten. De grootste divergentie bestaat met betrekking tot de casus die dwergwerpen bevordert (een cafébaas contracteert met een dwerg dat hij wordt gebruikt als ‘wedstrijdbal’ voor een wedstrijd dwergwerpen). In 15 landen is dit geldig, in 13 landen niet. Interessant is wel dat 22 van de 28 landen hetzelfde rechtsmiddel ter beschikking stellen voor de dwerg, namelijk financiële compensatie. Er wordt uiteindelijk geconcludeerd dat in alle casus convergentie bestaat op het eerste, tweede, of beide niveaus.

Al met al biedt het boek een mooi voorbeeld van vergelijkend onderzoek in Europees perspectief. Het boek is een mooie aanwinst voor de Common Core-reeks. Het boek geeft een indrukwekkend volledig overzicht van immorele contracten in Europa vanuit historisch, Europees en nationaal perspectief. (MR)

A.L.B. Colombi Ciacchi, C. Mak & Z. Manshoor (red.)
Immoral contracts in Europe
Cambridge: Intersentia 2020, xlvii + 740 p., € 139