Boekbespreking. In het materiële privaatrecht treft men regelmatig begrippen aan waarmee een zekere mate van schuld tot uitdrukking wordt gebracht. Zo heeft een werknemer geen recht op loondoorbetaling bij ziekte als de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt (art. 7:629 lid 3 sub a BW), vergoedt een verzekeraar geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft aangericht (art. 7:952 BW) en is een bestuurder aansprakelijk jegens de rechtspersoon voor onbehoorlijk bestuur indien hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt (art. 2:9 BW). Met het oog op rechtseenvoud, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het wenselijk dat de gecursiveerde schuldbegrippen, hoewel ontleend aan verschillende rechtsgebieden (resp. het arbeidsrecht, het verzekeringsrecht en het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht), op eenzelfde wijze worden uitgelegd.

In dit boek onderzoekt Schouten of de uitleg die in het arbeidsrecht aan de begrippen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’ wordt gegeven, intern consistent is met de uitleg van vergelijkbare begrippen buiten het arbeidsrecht (lees: het privaatrecht, i.h.b. het verbintenissenrecht). Deze ‘vergelijkbare begrippen’ zijn geselecteerd op hun taalkundige verwantschap met ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’. Van een intern consistente uitleg is sprake volgens de auteur als aan begrippen die op basis van bepaalde gezichtspunten vergelijkbaar zijn, een soortgelijke betekenis wordt toegekend. Daarbij verdient opmerking dat een uitleg niet hetzij intern consistent, hetzij intern inconsistent is, maar afhankelijk van de omstandigheden meer intern consistent of minder intern consistent kan zijn. Dat maakt dat Schouten bijvoorbeeld kan zeggen dat de schuldbegrippen die hij heeft onderzocht ‘een zekere mate van interne consistentie vertonen’.

Na het inleidende eerste hoofdstuk behandelt de auteur in hoofdstuk 2 de vraag hoe de begrippen ‘opzet’ en ‘bewuste roekeloosheid’ worden uitgelegd in het arbeidsrecht. Daartoe onderzoekt hij de betekenis die deze begrippen krijgen in de parlementaire geschiedenis, de literatuur en de rechtspraak. Het hoofdstuk valt uiteen in twee delen. Het eerste deel handelt over de begrippencombinatie ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ zoals die voorkomt in onder meer artikel 7:658 BW, betreffende de aansprakelijkheid van de werkgever voor door werknemer tijdens hun werkzaamheden geleden schade; het tweede deel gaat over het begrip ‘opzet’ ex artikel 7:629 lid 3 sub a BW (loondoorbetaling bij ziekte werknemer).

In hoofdstuk 3 bespreekt Schouten vervolgens de uitleg van enkele schuldbegrippen buiten het arbeidsrecht. Het betreft schuldbegrippen uit achtereenvolgens het verzekeringsrecht, het vervoersrecht, het socialezekerheidsrecht (i.e. het regresrecht van uitkeringsinstanties op werkgevers en collega-werknemers), het gemene contractenrecht (i.h.b. bij exoneratiebedingen), het verkeersaansprakelijkheidsrecht en ten slotte het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht. Het derde hoofdstuk wordt afgesloten met een bespreking van bepalingen waarin ‘opzet’ als geïsoleerd begrip voorkomt. Het betreft hier ‘het opzet de verzekeraar te misleiden’ (diverse bepalingen in titel 7.17 BW) en ‘het opzet van de verkoper’ (art. 7:23 lid 3 BW).

Als gezegd geschiedt de beoordeling van de interne consistentie van begripsuitleg aan de hand van bepaalde gezichtspunten. De vraag die zich dan opwerpt, is natuurlijk: aan de hand van welke gezichtspunten? De auteur hanteert in dit verband de zogenoemde TRT-toets: hij beoordeelt de interne consistentie van de uitleg van de schuldbegrippen aan de hand van (i) de gehanteerde terminologie, (ii) de toepasselijke ratio en (iii) het type rechtssubject. De conclusie luidt dat de uitleg van het begrip ‘opzet’ consistentie vertoont op basis van terminologie en dat de uitleg van het begrip ‘roekeloosheid’ consistentie vertoont op basis van ratio. Het gezichtspunt ‘type rechtssubject’ levert geen spannende inzichten op.

Het boek kent een sterke methodologische verantwoording en een gedetailleerde bespreking van een veelheid aan bronnen. Dat maakt dat dit boek uiterst waardevolle inzichten biedt in de betekenis die aan arbeidsrechtelijke en privaatrechtelijke schuldbegrippen toegekend wordt. Er is echter één makke, een makke die overigens ook door Schouten zelf wordt onderkend. Het betreft het feit dat niet kan worden uitgesloten dat de waargenomen patronen (bijv. waar de auteur stelt dat ‘bewuste roekeloosheid’ en de daarmee vergelijkbare termen eenzelfde uitleg krijgen én overeenkomen op basis van de ratio van de desbetreffende wetsbepalingen) op toeval berusten. Niet zelden ontbeert bij de concrete begripsuitleg door de wetgever of rechter immers een motivering, waardoor men vaak achterblijft met de vraag: waarom wordt bij de uitleg nu eens de ratio en dan weer de terminologie van de wetsbepaling tot uitgangspunt genomen? Al met al is het boek mijns inziens echter zonder meer lezenswaardig. (YC)

B. Schouten
Opzet en bewuste roekeloosheid in het arbeidsrecht en het privaatrecht
Bakelsreeks, Den Haag: Boom juridisch 2020, 354 p., € 65