Boekbespreking. Twintig jaar nadat in politiek Den Haag een discussie losbarstte naar aanleiding van een pleidooi voor een ‘drastische modernisering’ van de Nederlandse monarchie van D66-fractievoorzitter Thom de Graaf, verscheen in 2020 dit boek van de Nijmeegse hoogleraar Staatsrecht Paul Bovend’Eert. In De Koning en de monarchie. Toekomstbestendig? biedt Bovend’Eert een zeer uitvoerige analyse van de ontwikkeling van de Nederlandse monarchie ten aanzien van haar toekomstbestendigheid.

Afgezien van het feit dat de Koning in 2012 door de invoering van artikel 139a RvOTK zijn centrale rol bij de kabinetsformatie verloor, is er de afgelopen twintig jaar voor het overige nauwelijks iets veranderd wat betreft de staatsrechtelijke positie van het staatshoofd.

Bovend’Eert stelt direct dat modernisering van het koningschap een contradictio in terminis is: binnen de context van erfelijk en onschendbaar koningschap dringt de conclusie zich op dat het instituut als zodanig verouderd is. Dit wil echter niet zeggen dat bepaalde uiterlijke verschijningsvormen niet kunnen worden aangepast aan de tegenwoordige tijd, zodat de Koning een verantwoorde plaats in kan nemen binnen een staatsbestel dat zich kenmerkt door overheidsfunctionarissen die democratisch gelegitimeerd zijn en verantwoording schuldig zijn.

Na een uitgebreide historische inleiding op de monarchie in Nederland door Alexander van Kessel (Centrum voor Parlementaire Geschiedenis) worden alle afzonderlijke aspecten van het koningschap binnen de Nederlandse monarchie door Bovend’Eert uitgediept. Hierbij staat telkens centraal hoe verschillende grondwettelijke en wettelijke regels zich door de geschiedenis heen in de praktijk hebben ontwikkeld en in hoeverre die regels verandering behoeven. De koninklijke onschendbaarheid en ministeriële verantwoordelijkheid (hoofdstuk 3), de rol van de Koning binnen de regering en bij de kabinetsformatie (hoofdstuk 4 en 5), de Koning als staatshoofd en zijn overige functies (hoofdstuk 6 en 7), het inkomen en de uitgaven van het koningschap (hoofdstuk 8), de leden van het Koninklijk Huis (hoofdstuk 9), het begin en einde van het koningschap (hoofdstuk 10) en een vergelijking met andere monarchieën binnen Europa (hoofdstuk 11) passeren allen de revue. Op grond van zijn bevindingen concludeert Bovend’Eert in het slotwoord dat het zaak is dat het koningschap zich aanpast aan de eisen van de eenentwintigste eeuw. ‘Ook het koningschap behoeft periodiek onderhoud’, aldus Bovend’Eert.

In een tijd waarin de kritiek op het koningschap en de monarchie als zodanig een prominente rol innemen binnen het publieke en politieke debat, is dit boek allermeest relevant. Door de opvallend toegankelijke wijze waarop dit werk is ingestoken – analytische constateringen en aanbevelingen worden afgewisseld met sprekende voorbeelden uit de geschiedenis – biedt het bovendien een meerwaarde ten aanzien van bestaande literatuur. (LM)

P.P.T. Bovend’Eert
De Koning en de monarchie. Toekomstbestendig?
Deventer: Wolters Kluwer 2020, 320 p., € 30