Boekbespreking. ‘Woorden vervliegen, het geschrevene blijft’, zo leert ons de Romeinse redenaar Caius Titus (eerste eeuw n.Chr.). Een partij die zich in een civiele procedure op een rechtsgevolg beroept en iets moet bewijzen wat zij heeft gesteld (art. 150 Rv), kan met dit adagium nog haar voordeel doen. Maar ook over (de inhoud van) geschriften zijn partijen het niet zelden oneens, zodat de wetgever verschillende procesrechtelijke regels heeft geconcipieerd die de weerbarstige materie van de bewijslevering door geschriften beheersen. Sinds 1988 is geen monografie meer over het schriftelijk bewijsrecht verschenen. Met dit boek doorbreekt Hans Gräler, notaris te ’s-Hertogenbosch, deze langdurige stilte.

De eerste vier hoofdstukken zijn inleidend van aard. In hoofdstuk 1 definieert de auteur ‘geschriften’. In navolging van Anema en Verdam (Asser/Anema & Verdam, Bewijsrecht, 1953, p. 99) onderscheidt hij drie elementen: geschriften zijn (i) dragers van (ii) verstaanbare leestekens die (iii) dienen om een bepaalde gedachte-inhoud te vertolken. Voorts wordt in dit eerste hoofdstuk de verhouding tussen geschriften en akten aangestipt. Akten zijn gekwalificeerde geschriften: het betreft geschriften die (i) zijn ondertekend en (ii) zijn bestemd om tot bewijs te dienen (art. 156 lid 1 Rv). Vervolgens wordt in hoofdstuk 2 het algemene bewijsrechtelijk kader inzake stellen en bewijzen geschetst en worden in hoofdstuk 3 de termen ‘bewijsmiddelen’ en ‘bewijskracht’ nader uitgediept. In hoofdstuk 4 wordt dan voortgebouwd op de eerder gegeven definitie van de akte en worden uitvoerig de twee voorwaarden besproken die daaraan worden gesteld.

In de hoofdstukken 5 tot en met 9 behandelt Gräler enkele specifieke typen akten en hun bewijskracht. Het prominentst worden belicht de onderhandse akten ex artikel 156 lid 3 Rv (hoofdstuk 5) en de notariële akten (hoofdstuk 6). Vervolgens worden rechterlijke uitspraken (hoofdstuk 7), akten van de burgerlijke stand (hoofdstuk 8) en deurwaardersexploten (hoofdstuk 9) beschreven. Nu deze akten volgens de auteur in de praktijk relatief weinig vragen opwerpen, besteedt hij er minder aandacht aan dan de onderhandse en notariële akten.

Bij de behandeling van de verschillende soorten akten vormt de term ‘bewijskracht’ een rode draad. Artikel 152 lid 2 Rv bevat de hoofdregel: de rechter is vrij in de waardering van het te zijner kennis gebrachte bewijs. Sommige bewijsmiddelen komt evenwel dwingende bewijskracht toe, waarmee enerzijds de vrije bewijswaardering van de rechter aan banden wordt gelegd maar anderzijds tegenbewijs in beginsel niet wordt uitgesloten (art. 151 Rv). Er zijn drie smaken: (i) aangenomen moet worden dat het bewijsmiddel het bewijsmiddel is dat het lijkt te zijn, de zgn. uitwendige bewijskracht; (ii) aangenomen moet worden dat hetgeen volgens het bewijsmiddel is verklaard ook daadwerkelijk ís verklaard, de zgn. formele bewijskracht; en (iii) aangenomen moet worden dat hetgeen volgens het bewijsmiddel is verklaard overeenstemt met de werkelijkheid, de zgn. materiële bewijskracht.

In hoofdstuk 3, dat als gezegd onder meer ingaat op de term ‘bewijskracht’, komen de definities van uitwendige, formele en materiële bewijskracht er mijns inziens ietwat bekaaid van af. Nu de bewijskracht van de besproken akten aan de hand van deze drie vormen van dwingend bewijs wordt beoordeeld, verdient een steviger fundament in hoofdstuk 3 aanbeveling. Voornamelijk ten aanzien van de uitwendige bewijskracht blijft de lezer lang in het ongewisse, want eerst in de allerlaatste paragraaf van het boek wordt deze eenduidig (en conform de gebruikelijke wijze als hierboven weergegeven) gedefinieerd.

Wat betreft de meer algemene betekenis van ‘dwingend(e) bewijs(kracht)’ mist het boek overigens enigszins nuance. Blijkens artikel 151 lid 1 Rv gaat het immers niet alleen om de waarde die de rechter aan een in het geding gebracht bewijsmiddel moet toekennen, maar ook om de conclusie die hij aan, wat de wet noemt, ‘bepaalde [vaststaande] gegevens’ moet verbinden. Alsdan bevinden wij ons op het terrein van de – al dan niet onweerlegbare – wettelijke vermoedens (vgl. Asser/Asser, Bewijs, 2017/257; Pitlo/Rutgers & Krans, Bewijs, 2014/43), waarbij de wet ‘gevolgtrekkingen […] uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak afleidt’ (art. 1952 BW (oud)). Het voorwerp waarop het tegenbewijs (voor zover toegelaten) betrekking dient te hebben verschilt dan ook: bij dwingende bewijskracht van een bewijsmiddel is dat de inhoud van dat bewijsmiddel; bij dwingende bewijskracht van bovengenoemde ‘gegevens’ is dat de conclusie (de ‘onbekende daadzaak’) die uit die gegevens moet worden afgeleid.

Met een stevige inbedding in literatuur en jurisprudentie en waardevolle inzichten uit zijn notarispraktijk toont Gräler zich een ware expert op het gebied van het schriftelijk bewijs. Aldus biedt het boek een duidelijk en actueel overzicht van deze boeiende materie. Het boek is zelfs zó actueel dat de auteur de voor zijn onderwerp relevante coronamaatregelen heeft kunnen verdisconteren. Zo beschrijft hij artikel 26 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid, dat het verlijden van een akte ten overstaan van een notaris middels audiovisuele middelen mogelijk maakt. Al met al is Schriftelijk bewijs lezenswaardig, niet alleen voor de praktijkjurist die zichzelf veelvuldig met schriftelijke bewijsstukken geconfronteerd ziet, maar ook voor ieder ander die geïnteresseerd is in (of hulp behoeft bij het doorgronden van) het procesrecht inzake de bewijslevering door geschriften. (YC)

J.G. Gräler
Schriftelijk bewijs
Serie Burgerlijk Proces & Praktijk, Deventer: Wolters Kluwer 2020, 188 p., € 49,50