Boekbespreking. Van De weg naar het civiele vonnis is recentelijk een tweede druk verschenen. In dit boek beschrijft Margreet Ahsmann, emeritus bijzonder hoogleraar Rechtspleging aan de Universiteit Leiden, stapsgewijs de ‘ambachtelijke’ route die de burgerlijke rechter aflegt bij het schrijven van een gemotiveerde beslissing in eerste aanleg. In lijn met de titel ligt de nadruk hierbij op de dagvaardingsprocedure; de verzoekschriftprocedure komt slechts zijdelings aan de orde. Met vele voorbeeldcasus, praktische handreikingen en heldere overzichten neemt Ahsmann de (beginnende) rechter mee in diens weerbarstige zoektocht naar een gedegen uitspraak. Een rode draad wordt gevormd door het bewijsrecht, want, zo stelde Paul Scholten al, ‘in de feiten ligt het recht’ (Asser/Scholten, Algemeen deel, 1974, p. 11; vgl. AA20190803).

Ten opzichte van de eerste druk uit 2011 is deze tweede druk volledig geactualiseerd. De auteur heeft dan ook rekening kunnen houden met recente ontwikkelingen op processueel vlak, zoals de in oktober 2019 in werking getreden Spoedwet KEI en het in juni 2020 ingediende Wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht.

Na enkele algemene opmerkingen in hoofdstuk 1 wordt in de hoofdstukken 2 tot en met 6 het ‘gereedschap’ beschreven dat de rechter bij het opstellen van zijn vonnis ter beschikking staat, te beginnen met de procesrechtelijke kaders waarbinnen de verschillende procesdeelnemers opereren. Eerst wordt het algemene procesrechtelijke kader besproken in hoofdstuk 2, dat onder meer de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid en de verschillende soorten vonnissen behandelt. Daarna komen in de hoofdstukken 3 en 4 het procesrechtelijke kader voor de procespartijen en dat voor de rechter aan bod. In deze laatste twee hoofdstukken is een belangrijke rol weggelegd voor de algemene processuele beginselen van artikel 19 e.v. Rv. Hoofdstuk 5 ziet vervolgens op de regiefunctie van de rechter; hoofdstuk 6 betreft de mondelinge behandeling. Die twee aspecten van de civiele procedure zijn naar aanleiding van KEI grondig herzien.

Hoe de rechter het gereedschap uit de voorgaande hoofdstukken aanwendt teneinde tot een vonnis te komen, wordt in de hoofdstukken 7 tot en met 13 behandeld. Ahsmann beschrijft achtereenvolgens de dossieranalyse (hoofdstuk 7); het bepalen van de procespartijen en de processtukken (hoofdstuk 8); de selectie van de vaststaande feiten (hoofdstuk 9); de vordering en de grondslag daarvan (het petitum resp. fundamentum petendi), alsmede het verweer (hoofdstuk 10); de beoordeling leidend tot een eindvonnis, bijvoorbeeld ingeval gedaagde het door eiser gestelde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist (hoofdstuk 11); de beoordeling leidend tot een tussenvonnis, doorgaans wanneer er een bewijsopdracht moet komen (hoofdstuk 12); en ten slotte de bewijswaardering (na een eerder gewezen tussenvonnis) leidend tot de eindbeoordeling en -beslissing (hoofdstuk 13).

Hoewel het boek primair als leidraad voor rechters is bedoeld, biedt het – juist omdat het perspectief van de rechter als uitgangspunt wordt genomen – ook overige procesdeelnemers vele nuttige inzichten. Nu belangrijke theoretische concepten niet onbesproken blijven, is het boek eveneens waardevol voor eenieder die op een wat abstracter niveau over het burgerlijk procesrecht wil nadenken. Al met al vormt De weg naar het civiele vonnis een aanwinst voor de boekenkast van iedere processualist. (YC)

M.J.A.M. Ahsmann
De weg naar het civiele vonnis
Tweede druk, Boom Juridische studie­boeken, Den Haag: Boom juridisch 2020, 429 p., € 45