Boekbespreking. Met Bauhaus Laws creëerde jurist en historicus Daniel Damler een geslaagd gesamtkunstwerk, waarin een grote hoeveelheid modernistische, politieke, artistieke en architectonische ontwikkelingen nauw vervlochten raakt met het juridische gedachtegoed zoals dat zich ontwikkeld heeft sinds 1919: het jaar waarin Bauhaus – dé moderne school voor kunst en design – het licht zag. In Damlers boek, dat niet toevallig precies een eeuw later verscheen, wordt duidelijk hoe juristen sindsdien (on)bewust gegrepen zijn door politieke en kunstzinnige verschuivingen, die (mede daardoor) hun neerslag hebben gevonden in het recht. Het was aan juristen om de maatschappelijke roep om eenvoud, efficiëntie en eenwording te beantwoorden met adequate rechtsregels, zoals kunstenaars dat deden met praktische kunstobjecten. Niks ‘academische niche’; Damler positioneert de rechtsgeleerdheid middenin de maatschappij.

Die maatschappelijke context speelt in het boek zo’n prominente rol dat de nadruk met enige regelmaat meer op ‘Bauhaus’ dan op ‘Laws’ ligt. De lezer moet dus niet aan dit boek beginnen in de veronderstelling een rechtlijnig en kleurrijk overzicht van de hedendaagse rechtspraktijk voorgeschoteld te krijgen, of juist een planmatig overzicht van de kunstzinnige uitgangspunten van Bauhaus. Wat Bauhaus Laws biedt, is een breed kleurenpalet vol historische, kunstzinnige, politieke en juridische ontwikkelingen, en Damler toont zich een bekwaam vakman die deze ontwikkelingen beeldend illustreert.

Dit is het verhaal van Hans Kelsen, Yevgeny Zamyatin, Sergei Eisenstein, Carl Schmitt, Walter Gropius en vele anderen. Het verhaal van architecten, politici, kunstenaars, juristen en van alle anderen die meebouwden aan het gesamtkunstwerk van de moderne tijd. Dat biedt dit boek: een blik op veelzijdige mensen in een veeleisende tijd, waarin zelfs het recht beschouwd wordt als een vorm van design. Leidende begrippen binnen de Bauhausrevolutie zoals ‘functionaliteit’ en ‘transparantie’ werden, zo meent Damler, door hun maatschappelijke bekendheid ook leidende begrippen in politiek en recht.

Als de lijnen in een gestroomlijnd Bauhauswerk worden de verschillende leef- en denkstijlen van voornoemde Bauhausbeoefenaars door Damler evenwichtig bijeengebracht. We kijken naar het recht en de kunst vanuit verschillende perspectieven. Na een korte inleiding op het idee dat esthetische normen door kunnen sijpelen naar politieke en juridische context, reizen we in het eerste hoofdstuk naar het Wenen in het fin de siècle, waar rechter en rechtstheoreticus Hans Kelsen de massaproductie zag opkomen en de daaropvolgende ondergang van de lampenfabriek van zijn vader gadesloeg. In lijn met de kunstenaars die de ‘pure stijl’ en het behoud van de kleine industrie predikten, ontwierp Kelsen zijn Reine Rechtslehre.

In het tweede hoofdstuk bevinden we ons in de roerige jaren na de Eerste Wereldoorlog. Het was de tijd van verbinding, in de vorm van collages en de vereniging van politieke concepten. Het zijn Le Corbusier, Bruno Taut, Yevgeny Zamyatin en Sergei Eisenstein die dat beeldend laten zien. Hoofdstuk drie biedt een minder rooskleurig beeld van de moderniteit. Carl Schmitt wordt geïntroduceerd als de ‘zwarte prins’ van de Nazitragedie, waarbinnen het esthetische principe form follows function ineens een wrange bijsmaak krijgt. Na deze zwarte bladzijden volgt het vierde hoofdstuk, dat de opkomst van mondiale kunst en internationaal recht schetst. We zijn getuige van een periode waarin gestreefd wordt naar gelijke leefomstandigheden voor iedereen; een principe dat zowel in kunst en architectuur als in het recht tot uiting komt. Waar hoofdstuk vier dus gericht is op artistieke en juridische verbroedering, legt hoofdstuk vijf de nadruk weer op de verwoesting na de Tweede Wereldoorlog. Er was, zeker in Duitsland, wederopbouw nodig, die geboden werd door Bauhausontwerpen enerzijds en de liberale democratische begrippen anderzijds. Die twee zaken gingen ook regelmatig hand in hand. Zo werd glas hét democratische bouwmateriaal en werden glazen gebouwen dé representanten van een eerlijke, transparante wereld vol toekomstperspectief. Een wereld waarin het recht als geheel en de rechtspraak in het bijzonder moeten getuigen van eenzelfde soort transparantie.

Met betrekking tot bovenstaande bonte verzameling aan inzichten blijft Damler ogenschijnlijk objectief, maar tussen de regels door spreekt de boodschap die pas op de laatste bladzijde expliciet wordt. Juristen kunnen leren van Bauhauskunstenaars. Zoals architecten zich niet moeten richten op ‘construction for its own sake’, schrijft Damler op een van de laatste pagina’s, moeten juristen inzien dat wetten geen doel, maar een middel moeten zijn. ‘Like an open work of art they should form the starting point and never the goal, of an autonomous and naturally “flourishing” process of shaping the law.’ En dat is een prachtige zin om mee af te sluiten. (LvdB)

D. Damler
Bauhaus Laws. The modernist revolution and legal thought
Cambridge: Intersentia 2019, 202 p., € 49