Dit onderzoek gaat over leeftijdsdiscriminatie bij arbeid en beroep in het Europees recht. Het aantal ouderen in Europa neemt steeds verder toe doordat Europeanen gezonder en langer leven. Hierdoor wordt de groep gepensioneerde babyboomers groter, terwijl het aantal werkende jongeren daalt. Dat heeft maatschappelijke en sociaal­economische consequenties voor de arbeidsmarkt.

Dit boek neemt als uitgangspunt dat de Raad van Europa 2012 uitriep tot het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties. Hiermee werd aandacht gevraagd voor het bestrijden van discriminatie op grond van leeftijd, het wegnemen van barrières met betrekking tot inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en het bestrijden van negatieve stereotypen over leeftijd. De twee doelstellingen van de Raad – het bevorderen van actief ouder worden en solidariteit tussen generaties – zijn als werkgelegenheidsdoelstelling ook opgenomen in de Europese Sociale Agenda. Eisma constateert allereerst dat hier geen sprake is van complementaire doelstellingen: actief ouder worden is gericht op langer doorwerken, terwijl solidariteit tussen generaties bereikt kan worden door jongeren een kans te bieden op de arbeidsmarkt en het arbeidzame leven dus juist te bekorten. Beide werkgelegenheidsdoelstellingen beogen een ander doel te bereiken.

De centrale onderzoeksvraag van het boek is welke rol het Europees Hof van Justitie speelt bij de bestrijding van leeftijdsdiscriminatie en het halen van de hierboven genoemde werkgelegenheidsdoelstellingen. Om deze vraag te beantwoorden, wordt – na de inleiding – in hoofdstuk 2 eerst het non-discriminatiebeginsel besproken, waarna in hoofdstuk 3 het Europees sociaal beleid en de werkgelegenheidsdoelstellingen nader worden bekeken.

In de volgende hoofdstukken staat de beoordeling (door het HvJ) van de vraag of er een rechtvaardiging bestaat voor een uitzondering op het vaststellen van leeftijdsdiscriminatie centraal. Leeftijdsdiscriminatie kan worden gerechtvaardigd als sprake is van een objectief legitiem doel op het terrein van de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt. Tevens moet de maatregel passend en noodzakelijk zijn. In hoofdstuk 4 bekijkt Eisma in hoeverre de werkgelegenheidsdoelstellingen doorwerken in de jurisprudentie van het HvJ bij de beoordeling van de vraag naar een legitiem doel. In hoofdstuk 5 bespreekt zij vervolgens aan welke eisen de omschrijving van dat werkgelegenheidsdoel moet voldoen. In hoofdstuk 6 staat de vraag centraal hoe het HvJ EU de werkgelegenheidsdoelstellingen hanteert bij de beoordeling van de proportionaliteit.

Ten slotte gaat Eisma in hoofdstuk 7 in op Nederlandse jurisprudentie over leeftijdsdiscriminatie. Zij bekijkt hoe de Nederlandse rechter de uitspraken van het HvJ uitlegt. Vervolgens beoordeelt zij aan de hand daarvan of de uitspraken van het HvJ in leeftijdsdiscriminatiezaken consistent en voldoende duidelijk zijn voor de nationale rechter. Geconcludeerd wordt dat het zwaartepunt bij de beoordeling van de rechtvaardiging zit in de proportionaliteitstoets: is het middel passend en noodzakelijk om het werkgelegenheidsdoel te bereiken? Hier concludeert Eisma dat het HvJ geen consistente en strikte benadering hanteert. Dit draagt niet bij aan een uniforme toepassing van het gelijkebehandelingsrecht. Het roept bij nationale rechters ook vragen op over de wijze waarop sociaaleconomische aspecten van het nationaal arbeidsmarktbeleid bij de beoordeling van leeftijdsdiscriminatie moeten worden onderzocht en toegepast.

Het boek biedt een diepgravende analyse van de uitspraken van het Hof van Justitie en de werkgelegenheidsdoelstellingen uit de Europese Sociale Agenda. Het is afwachten wat er zal gebeuren naar aanleiding van de conclusies die Eisma trekt. (MR)

J.M. Eisma
Leeftijdsdiscriminatie in Europees Recht in het licht van de demografische ontwikkelingen
Diss. VU Amsterdam, Den Haag: Boom juridisch 2020, 218 p., € 42,50