Het imago van de overheid is slecht’, zo stelt voormalig topambtenaar Roel Bekker in het inleidende eerste hoofdstuk van zijn boek. Hij concludeert dat wij een ‘zeer goede overheid hebben’, maar dat het altijd beter kan. Centraal in dit boek staat de vraag waarom de overheid fouten maakt, wat daarachter zit en wat er kan worden gedaan ter verbetering. Bekker stelt dat ‘de nuchtere analyse van wat niet goed is gegaan en waarom’ vaak ontbreekt. In dit boek gaat hij daarom in op ‘het management van zowel beleid als uitvoering’. Doel is om, door open te kijken naar de zaken die misgingen, te kijken op welke punten de overheid zich nog verder kan verbeteren.

Het boek start met een aantal voorbeelden van overheidsfouten op strategisch, tactisch en operationeel niveau (hoofdstuk 2). Deze zaken en ook de zaken die later in het boek ter illustratie dienen, zijn geselecteerd uit de zaken waar Bekker zelf mee te maken heeft gehad, in zijn hoedanigheden als ambtenaar, consultant en hoogleraar. Hoewel het ogenschijnlijk een tamelijk willekeurige selectie is, geeft deze de lezer een aardig beeld van de soorten overheidsfalen die kunnen optreden en de gevolgen die dergelijke fouten kunnen hebben. Aan bod komt bijvoorbeeld de HSL Zuid waarbij aandacht wordt besteed aan de hoge kosten, het dure tracé, de veel te late oplevering en het echec met de Fyra. Bekker bespreekt gedetailleerd wat er allemaal mis is gegaan bij al deze stappen.

Na dit overzicht van fouten wordt in hoofdstuk 3 besproken hoe dan precies kan worden vastgesteld of sprake is van overheidsfalen. Bekker stelt dat het in de praktijk lastig is om vast te stellen of beleid gelukt is of niet en bespreekt verschillende oorzaken hiervan. Vervolgens gaat hij in op de vraag wie bepaalt wanneer het mis is gegaan en waar de informatie vandaan komt (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de instanties die een rol spelen bij het beoordelen van fouten van de overheid: de onderzoekscommissies, parlementaire enquêtecommissies, de Algemene Rekenkamer, en adviesraden en kennisinstituten. In hoofdstuk 6 en 7 komen de oorzaken van mislukkingen aan bod, respectievelijk oorzaken die inherent zijn aan een overheid en oorzaken die inherent zijn aan organisaties in het algemeen. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de afdelingen en onderdelen van de overheid die vaker in de fout gaan – bijvoorbeeld met betrekking tot het openbaar vervoer – en welke oorzaken daaraan ten grondslag liggen. Ook bespreekt Bekker de meest voorkomende reacties van de overheid in geval van overheidsfalen (hoofdstuk 9). Deze variëren van deemoed en het aanbieden van excuses tot het uiten van verbaasde onschuld. Ten slotte gaat hij in om de vraag hoe het beter kan (hoofdstuk 10). Een aantal punten komt aan bod waarop ruimte voor verbetering is om het overheidsfalen te beperken.

Concluderend meent Bekker dat er veel fout gaat, maar ook heel veel goed. Aan de hand van maar liefst 98 casussen – van Chroom 6 tot de gaswinning in Groningen en van de vuurwerkramp in Enschede tot de telefoontap bij Van Rey – bespreekt hij het hele overheidssysteem en uiteraard met name de fouten die door de overheid worden gemaakt. Veel van de zaken heeft Bekker zelf van dichtbij meegemaakt, doordat hij lang werkzaam is geweest bij een aantal ministeries. Dit zorgt er ook voor dat het boek zeer informatief is. De casus zijn interessant om te lezen en bieden ook een genuanceerd overzicht van de oorzaken van overheidsfalen. Dat had niet zo gemoeten is een aanrader voor eenieder met interesse in het overheidsbestel in Nederland. (MR)

Roel Bekker
Dat had niet zo gemoeten! Fouten en falen van de overheid onder het vergrootglas
Den Haag: Boom Bestuurskunde 2020, 400 p., € 37,50