Boekbespreking. Het burgerschap van het Koninkrijk der Nederlanden is van oudsher een lastig leerstuk in de staatsrechtleer. De kritiek die het Koninkrijkse burgerschap in de doctrine te verduren heeft gehad – en nog altijd heeft – is dat het op essentiële punten afwijkt van het burgerschap van andere landen. De auteur van de onderhavige dissertatie karakteriseert het zelfs als een ‘morganatisch burgerschap’. Het niet alledaagse woord ‘morganatisch’ is afkomstig van het Latijnse matrimonium morganaticum, beter bekend onder de naam ‘huwelijk met de linkerhand’. Dit laatste houdt in dat de vrouw niet deelt in alle rechten die verbonden zijn aan de adellijke stand van een man. In casu verwijst de term naar een situatie waarin burgers uit hoofde van hun burgerschap niet in gelijke zin aanspraak maken op (politieke) burgerschapsrechten. De centrale stelling van de jonge doctor is namelijk dat deze morganatische invulling van het Nederlanderschap ertoe leidt dat staatsburgers van het Koninkrijk uit de overzeese landen ‘niet delen in de adeldom van politieke burgerschapsrechten in de statutaire rechtsorde’.

Dit juridisch-dogmatische proefschrift beoogt een eeuwenoud concept in de rechtsorde van het Koninkrijk nader af te bakenen en te definiëren. Het onderzoeksobject – het Nederlanderschap – wordt bestudeerd vanuit twee aan elkaar verwante vragen. Ten eerste: op welke wijze dient het Nederlanderschap te worden geduid vanuit een conceptueel-juridisch en rechtsvergelijkend perspectief? Ten tweede: wat is de betekenis van de gelding van het Unieburgerschap in de Landen en Gebieden Overzee (LGO) van het Koninkrijk voor de duiding van het Nederlanderschap? Het boek bevat, naast een inleiding en een slotbeschouwing, zes hoofdstukken. Daarin treft de lezer uitgebreide conceptuele analyses van het burgerschapsbegrip in achtereenvolgens het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie aan. Belangwekkend is dat bij deze rechtsvergelijkingen steeds uitgebreid aandacht wordt besteed aan de diepe wortels in de staatkundige geschiedenis: de auteur verkent het burgerschapsbegrip vanuit zijn vroegste oorsprongen tot in de moderne tijd.

Op de flaptekst lezen we dat de rechtsorde van ons Koninkrijk volgens de auteur gemankeerd is, ‘omdat het Koninkrijk er nimmer in is geslaagd om het door hem toegekende staatsburgerschap een materiële invulling te geven’. Anders gesteld: de rechten van de Nederlander in Europees Nederland en van de Nederlander in Caribisch Nederland zijn niet precies gelijk. Zo zijn de overzeese Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten wél politiek gerepresenteerd in het Europees Parlement, maar niet vertegenwoordigd in de Nederlandse Staten-Generaal – dat de facto fungeert als hét (mede)wetgevende orgaan van het Koninkrijk. De auteur vindt dat een democratisch deficit. Rijksregelgeving komt immers tot stand zonder politieke representatie van deze overzeese Nederlanders. Voor dit fundamentele knelpunt in het Koninkrijksrecht zijn weliswaar oplossingen denkbaar, maar deze zijn niet gemakkelijk te implementeren. Let wel: bovengenoemde kritiek geldt slechts ten aanzien van de Caribische landen. De BES-eilanden zijn een openbaar lichaam naar Nederlands staatsrecht, met als gevolg dat Nederlandse staatsburgers van deze gebieden worden vertegenwoordigd in beide Kamers der Staten-Generaal.

Morganatisch burgerschap is een fraaie dissertatie over een belangrijk onderwerp. Het boek is interessant voor staatsrechtbeoefenaars en andere geïnteresseerden in (de geschiedenis van) het Koninkrijksrecht. Wie meer wil weten over de rechtspositie van Unieburgers in overzeese gebieden met een LGO-status, moet dit boek ook zeker ter hand nemen. Van de lezer wordt echter wel enige voorkennis en doorzettingsvermogen verwacht: de besproken materie is beslist niet eenvoudig, en laat zich ook niet snel doorgronden. (RJ)

Gohar Karapetian
Morganatisch burgerschap. Een onderzoek naar burgerschap en politieke representatie van de overzeese burger in het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie
Diss. Groningen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, 504 p., € 75