Boekbespreking. In dit vuistdikke handboek wordt het openbaar bestuur in Nederland geanalyseerd aan de hand van het begrip ‘instituten van de staat’. Daarmee doelt de redactiecommissie op ‘de formele organisaties die de staat vormen en de taken van de democratische en sociale rechtstaat vervullen’. Materiële instituties – democratie, rechtsstaat, openbaarheid, integriteit – vallen dus buiten de reikwijdte van deze studie.

Hoewel dit boek uitdrukkelijk is bedoeld als overzichtswerk, moest de redactiecommissie, omwille van de boekdikte, een selectie van onderwerpen maken. Zij koos voor de belangrijkste instituten van de Nederlandse staat, waarover bovendien voldoende wetenschappelijke staatsrechtelijke en bestuurskundige kennis beschikbaar is. De lezer zal al spoedig bemerken dat – gelukkig – nogal wat staatsinstellingen door deze ballotage zijn gekomen.

Dit boek kent drie delen. In het eerste deel, dat maar liefst achttien hoofdstukken beslaat, komen instituten van allerlei pluimage aan bod. Gestart wordt met organisatorische beschrijvingen en analyses van de usual suspects, te weten het Koninkrijk, de Koning, de regering, de Staten-Generaal, de rechterlijke macht, de Hoge Colleges van Staat én de ministeries. Daarna is er uitgebreid aandacht voor de decentrale overheden. Vervolgens passeren diverse veiligheidsactoren de revue passeren. Zo zijn er belangwekkende hoofdstukken gewijd aan het Openbaar Ministerie en de nationale politie alsook aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de krijgsmacht. Tussendoor worden regionale samenwerkingsverbanden, zelfstandige bestuursorganen, toezichtsautoriteiten en inspecties ter sprake gebracht. Tot slot ontbreken hier overigens ook niet de vele planbureaus en adviesorganen die ons land rijk is.

De twee resterende delen zijn veel beknopter. Deel twee is anders opgezet dan het eerste. Het behandelt – kort samengevat – in vijf hoofdstukken de geschiedenis en ontwikkeling van de Nederlandse staatsinstellingen. Het derde deel, bestaande uit vier hoofdstukken, wil juist een beeld te schetsen van de toekomst van de instituten van de staat. Daarin worden vragen beantwoord als: is Nederland inderdaad een ‘sterke staat’? Met welke nieuwe uitdagingen wordt ons land geconfronteerd? Hoe zouden onze instituten daaraan het hoofd kunnen bieden?

Diverse gerenommeerde auteurs leverden een bijdrage aan dit kloeke boek. Zij beperkten zich niet tot de ‘klassieke’ staatsrechtelijke themata, maar incorporeerden ook recente bestuurskundige inzichten en sommige politiek-wetenschappelijke invalshoeken in hun analyses. Dit handboek is daarom niet alleen geschikt voor rechtenstudenten op hbo- en wo-niveau, maar eveneens voor studenten van aanverwante disciplines. Uiteraard kan het evengoed dienen als praktijkwijzer voor opleidingsinstituten en ambtenaren van de betrokken organisaties.

Al met al is dit een zeer fraai werk, dat beslist bijdraagt aan de wetenschappelijke en maatschappelijke kennisvermeerdering over de organisatie van de Nederlandse staatsinstellingen. (RJ)

E.R. Muller, H.R.B.M. Kummeling & R. Nehmelman (red.)
Instituten van de staat
Deventer: Wolters Kluwer 2020, 728 p., € 95